Terug naar de stamppot

Door de stikstofcrisis staat de positie van Nederland als voedselproducent ter discussie. Politici en media wijzen op de omvangrijke export van agrarische producten door ons land. Echter, voor veel voedingsmiddelen is Nederland afhankelijk van het buitenland. Als we zelfvoorzienend willen zijn, zouden we ons maar nipt kunnen redden. Dit heeft grote gevolgen voor het eten op ons bord. Het menu zal karig zijn, voedselverspilling is uit den boze en er is geen eten meer voor onze huisdieren.

Veel meer landbouwgrond nodig dan beschikbaar

De huidige Nederlandse voedselconsumptie vraagt een landbouwareaal van ca. 3,3 miljoen hectare, terwijl er maar 1,8 miljoen beschikbaar is. Voedselimport is dus noodzakelijk. Veel voedingsmiddelen komen uit het buitenland, denk aan: rijst, veel fruit, wijn, pasta, groenten, tarwe voor brood, cacao en nog veel. Rekenen we de grondbehoefte voor hout, papier, biobrandstof en kleding mee, dan is het totale landgebruik van Nederland 10,4 miljoen hectare. Dat is 3 keer de oppervlakte van ons land (Vork, 2020).

Crisisdraaiboek Voedsel

Als een crisis uitbreekt waardoor de grenzen sluiten, moet Nederland het eigen voedsel produceren. In 2013 heeft WUR onderzocht of we in staat zijn 17 miljoen mensen te voeden. Mede op basis van dit rapport is het Beleidsdraaiboek Crisisbeheersing Nationale Voedselvoorziening aangepast.

De onderzoekers berekenden de behoefte aan landbouwgrond in verschillende scenario’s. Eén met een minimaal menu (2.040 kcal,) een menu dat met de huidige consumptiepatronen overeenkomt (2.232 kcal) en een menu dat gebaseerd is op de Richtlijnen Goede Voeding van de Gezondheidsraad (2.416 kcal).

In ieder van deze menu-scenario’s werd ook het effect berekend, bij al dan niet beschikbaar zijn van kunstmest en bestrijdingsmiddelen. In die scenario’s werd met biologische opbrengsten gerekend.

Niet alle grond is voor alle gewassen geschikt. In alle scenario’s blijft de grond in veenweidegebieden grasland, blijven de kassen staan en de fruitbomen behouden.

Voedselverspilling uit den boze

De verschillende scenario’s leverden verschillende uitkomsten op aan grondbehoefte. In alle scenario’s blijkt Nederland in staat is om zichzelf te voeden. Zelfs als er geen kunstmest of bestrijdingsmiddelen meer beschikbaar zijn. Echter, belangrijke voorwaarde is dan wel dat er geen voedsel wordt verspild. Nu wordt die verspilling geschat op zo’n 20%.

In de scenario’s zonder kunstmest en bestrijdingsmiddelen is alle grond nodig voor de productie van voedsel voor mensen.  Als deze middelen wel beschikbaar zijn, is slechts de helft van de grond nodig.

Sinds het verschijnen van het rapport is het landbouwareaal met ca. 3% afgenomen en is de bevolking met 3% gegroeid. Daarmee bereiken we de grenzen van de zelfvoorzieningsgraad.

Zonder kunstmest geen huisdieren

Leenstra en Vellinga berekenden de grondbehoefte voor de voeding van honden, katten en paarden. Zij berekenden dat de voerproductie van deze dieren 820.000 ha land vraagt. In het scenario Goede Voeding zonder kunstmest is maximaal 180.000 ha beschikbaar voor productie van niet-humaan voedsel. In dit scenario is er vrijwel geen voeding voor honden, katten en paarden beschikbaar.

Terug naar de stamppot

De beschikbare hoeveelheid voedingsmiddelen in het Goede Voeding scenario is weergegeven in de tabel. Het is een koolhydratenrijk en vetarm dieet. Voldoende om aan alle minimale behoeften van voedingstoffen te voorzien. Het is een ouderwetse samenstelling. Aardappelen, brood, groenten en alleen vlees op zon- en feestdagen.  Varkensvlees en geïmporteerde voedingsmiddelen staan niet meer op het menu.

De Nederlandse agrarische productie kan in geval van nood de eigen bevolking voeden. Het vergt wel aanpassingen. Het eten is minder luxe. De kliekjesdag zal normaal moeten zijn en voor honden, katten en paarden is er geen voer meer.

Tabel. Beschikbare hoeveelheid voedingsmiddelen in het Goede Voeding scenario (in gram/dag)

Voedingsmiddelbeschikbaar (in gram/dag)
Brood231
Aardappelen450
Koolzaadolie6
Suiker118
Peulvruchten120
Vollegrondsgroenten256
Kasgroenten80
Fruit70
Melk (drinkmelk; bereiding kaas, boter)759
Rundvlees28
Schapenvlees2
Kip46
Ei54

Nutritionists should prepare to the future

The high prices for feedstuffs, the public debate about the competition between feed and food, the search for alternative protein sources and above all global warming force the poultry sector to take a different look at feed. Circularity and innovation should be the basis for a transition in poultry feeds.

The enormous genetic improvements, improved feed and good hygiene have resulted in low feed conversion rates in broilers and high egg production in layers. The pride of the sector provoked a counter-reaction from opinion leaders from the well-to-do urbanized society, who oppose this mode of food production. They demand slow growing broilers and free range layers.

Retailers acted on these demands and offer a wide range of eggs and  meat of slow growing chickens. The resulting larger carbon footprint, less feed efficiency and higher risk for avian influenza do not seem to play a role.  It is the task of nutritionists to reduce these negative effects.

Most poultry feeds for this type of production still consist of corn and soya. The consumer trends call for a different mindset of nutritionist. The lower protein/energy ratio’s in the diet allow for the use of less digestible feedstuffs in the feed.  An opportunity to formulate more circular diets and use locally available ingredients.

Research and innovation will be needed to optimize the use of new feedstuffs. Not only their maximum incorporation in feeds should be determined but also methods to improve the digestibility of these potentially suitable products. A wide variation of treatments is available. Chemical treatment, solids state fermentation, mechanical processing or specialized enzyme addition are potential techniques.

Insect protein has limited potential. Insects convert plant protein into better digestible proteins but  each bioconversion comes with losses. Recent experiments of Wageningen University showed that the N-conversion of Black soldier fly-maggots was 38 % . This is comparable with dairy cows. But also  24 % of the carbon was converted into CO2.

The current challenges for nutritionists cannot be solved without substantial investment in research and innovation. Without this,  the transition towards more sustainable poultry feed will be impossible.

Eerder verschenen in:   Dutch Poultry Center, VIV 2022

Andere  bril, andere conclusie

Reductie van de methaanemissie door rundvee staat hoog op de onderzoeksagenda van de melkveehouderij. Dit jaar starten DSM, Agrifirm en FrieslandCampina praktijkevaluatie van het additief Bovaer®. De actieve rol van de zuivel bij het gebruik van veevoederadditieven is een paradigma shift.

Tijdens de klimaatconferentie in Glasgow in 2021 is afgesproken dat de door mensen veroorzaakte methaanemissie in 2030 met 30 % moet zijn afgenomen. In Nederland wordt ongeveer 70 % van de methaanemissie veroorzaakt door de veehouderij en vooral melkvee.

DSM ontwikkelde een veevoederadditief, Bovaer® dat de methaanemissie van melkvee tot ca 30 % verlaagd. De EU heeft dit product toegelaten als middel om de methaanemissie te verlagen.  Daarmee kan de melkveehouderij in één klap het beoogde doel voor 2030 realiseren.

De interesse van FrieslandCampina is logisch. Het bedrijf heeft duurzaamheid en dus ook vermindering van de carbon footprint hoog in het vaandel staan. Bovendien wordt aan de Glasgow doelstelling voldaan zonder dat inkrimping van de veestapel nodig is.

Toch is het opmerkelijk. De zuivel was in het verleden tegen het gebruik van productie bevorderende additieven in melkveevoer. Zuivel moest zuiver blijven. Het gebruik van additieven was potentieel negatief voor het imago van dit natuurproduct. Een opvatting die uit het collectieve geheugen  is gewist.

Als gevolg van deze opvatting  mocht in de 80’er jaren Monensin niet worden gebruikt in melkveevoeders. Wel in voeders voor vleesvee. Ondanks het feit dat het melkproductie verhoogt, preventief werkt tegen slepende melkziekte en daarnaast de methaanemissie met 7-9 % verlaagt. Het methaan verlagende effect speelde in die tijd geen rol.

Omdat Monensin als groeibevorderaar was geregistreerd, werd het in 2006 verboden in vleesvee. Er ligt voldoende onderzoek dat een methaan verlagende claim van Monensin ondersteunt. Als methaanverminderaar kan het een tweede leven krijgen. De zuivel lijkt daar niet meer op tegen te zijn.

De andere blik op voederadditieven biedt kansen. Waar ze eerst als bedreigend voor het imago van de zuivel werden beschouwd , dragen ze nu bij aan de verbetering daarvan.

Eerder geplaatst in de Molenaar juni 2022

Plaats vervangende trots

Voortgezet onderwijs voor iedereen in Dronten | Dronten geeft je de ruimte

Soms ben je trots op prestaties van anderen. Regelmatig ben ik dat op die van mijn kinderen. Deze week had ik dat gevoel ook. Uit de examenuitslagen van het Almere College op het  Perron bleek het gepersonaliseerd onderwijs een groot succes.

Ik ben al enige tijd lid van de Raad van Toezicht bij het Almere College. Zo’n 5 jaar geleden hebben we gesproken over het idee om op het Perron het gepersonaliseerd onderwijs in te voeren. Deze methode geeft leerlingen de kans om zich extra te ontwikkelen in vakken waar zij sterk in zijn. Individuele coaching van de leerlingen is daarbij een belangrijk instrument.

Het idee dat leerlingen de kans krijgen hun talenten zo goed mogelijk te ontwikkelen werd breed gedragen. Leerlingen, die in vakken meer kunnen dan de vaste examenstof, moeten de kans krijgen om dat ook te tonen.  De belofte dat leerlingen  meer in hun eigen kracht komen te staan en zich meer kunnen ontplooien, juichten we toe.

Er waren best twijfels. De school had goede resultaten en de onderwijsinspectie was altijd positief geweest. Werd dat niet op het spel gezet? De gedrevenheid en passie van de schoolleiding en het commitment  van het docententeam gaven de doorslag.

Voor de meeste mensen is het diploma het uiteindelijke doel. Ook wij vonden het spannend of het slagingspercentage gelijk bleef aan het goede niveau dat het Perron al jaren heeft. Regelmatig stelden we vragen. Vooral over hoe de bewaking van de kwaliteit was georganiseerd en de voortgang bij de leerlingen werd getoetst. Corona maakte het nog spannender. De individuele coaching werd lastiger. De tussentijdse toetsen waren geruststellend.

Geweldig resultaat

Pas bij het eindexamen wordt de definitieve balans opgemaakt. Deze week werden de examenresultaten van de eerste lichting leerlingen bekend. Honderd procent van de leerlingen geslaagd. Dat is erg  goed maar niet uitzonderlijk. Geweldig is dat 67 % van de leerlingen in één of meer vakken op een hoger niveau examen heeft gedaan dan in het traditionele systeem.

De leerlingen mogen trots zijn. Zij hebben de kans gegrepen om te laten zien wat zij in hun mars hebben.

De schoolleiding en het docententeam mogen naast hun schoenen lopen.  Hun inzet en aanpassing aan de nieuwe vorm van leerlingbegeleiding is succesvol en ongetwijfeld een stimulans voor de toekomst. Mijn trots is plaatsvervangend.

Nederland kan zichzelf niet voeden

Het is een wijdverbreid misverstand dat Nederland meer voedsel produceert dan het als land nodig heeft. Dat is niet zo. Voor een belangrijk deel van ons voedselpakket zijn we afhankelijk van importen. De export gaat voor het grootste deel naar onze buurlanden. Datgene dat verder weg gaat zijn hoogwaardige en duurdere producten.

Jaarlijks brengt Wageningen University Research het rapport “Nederlandse agrarische sector in internationaal verband “ uit. De waarde van de export van agrarische producten was in 2021 ruim 104 miljard.  Op die mondiale ranglijst staat Nederland op een tweede plaats.  Een bevestiging van de economische betekenis van de agrarische sector.

Ten onrechte worden de cijfers geïnterpreteerd als dat we meer voedsel produceren dan we nodig hebben. De cijfers zeggen wat over de waarde van agrarische producten en niet over de  hoeveelheid voedsel dat wordt geëxporteerd.

De Nederlandse voedselconsumptie vraagt een landbouwoppervlakte van ca 3,3 miljoen hectare (Vork, 2021). Er is 1,8 miljoen ha cultuurland beschikbaar. Daarvan is 1 miljoen hectare grasland. We zijn dus afhankelijk van voedselimporten.

Nederland vijfde importeur

Nederland is op vier na de grootste importeur van voedsel. Van de 72,5 miljard aan ingevoerde goederen wordt 40 % direct uitgevoerd. Nederland is een belangrijk doorvoerland. Ter illustratie:  van het geïmporteerde fruit wordt bijna 80 % weer doorgevoerd.

We zijn voor rijst, fruit, granen en graanproducten, fruitsappen, tabak, cacao, rundvlees, wijn, veevoedergrondstoffen, vetten en oliën afhankelijk van het buitenland.

Goedkope producten naar de buurlanden, dure producten verder weg

De waarde van de export is hoog.  als gecorrigeerd wordt voor de doorvoer  dan heeft de sierteelt de grootste exportwaarde, gevolgd door zuivel en vlees. Ook aardappelen, eieren en groenten zijn belangrijk. Van die producten wordt gemiddeld 60 % verkocht aan onze buurlanden:  Duitsland, België, Frankrijk en Verenigd Koninkrijk.

De exportcijfers zijn handelswaarden. Die mogen niet verward worden met productvolumes. Producten met een lagere waarde worden veelal over kortere afstanden getransporteerd, terwijl de duurdere producten over grotere afstanden worden verkocht. Tachtig procent van de eierexport wordt net over de Duitse grens afgezet. De goedkope consumptie- en frietaardappelen blijven vooral in de EU, terwijl van de duurdere pootaardappelen 40 % buiten de EU wordt verkocht. Dure producten als zaden,  babyvoeding , paarden en kaas worden vaker buiten de EU verkocht.

De exportvolumes  naar onze buurlanden zijn  dus groter dan de CBS-cijfers, die gebaseerd zijn op waarde, suggereren. 

Waardevermeerdering door voedingsindustrie

Nederland heeft een vooraanstaande voedingsindustrie. Die  levert een belangrijke bijdrage aan de handelsbalans. De export van die industrie wordt ook meegerekend  als agrarische goederen. In de productieprocessen worden veelal geïmporteerde grondstoffen gebruikt en verwerkt tot hoogwaardige producten. Voorbeelden daarvan zijn de tabaksindustrie, chocolade, margarine,  koek en pasta’s. Op de keeper beschouwd produceren deze industrieën geen voedsel maar voegen waarde toe.

Conclusie

De exportwaarde van de Nederlandse agrarische producten is hoog. In de wereld neemt ons land de tweede plaats in. Desondanks produceren we te weinig voedsel om de eigen bevolking te voeden. Voor belangrijke productgroepen zijn we afhankelijk van importen. Daarom zijn we ook een grote  voedselimporteur. Daarnaast is bijna 30 % van onze export doorvoer.

Het grootste deel van het exportvolume gaat naar de buurlanden en kan beschouwd worden als regionale afzet.  

Nederland is in staat waarde toe te voegen aan geïmporteerde “laagwaardige” grondstoffen.  Het hoge specialistische kennisniveau in de hele voedingsketen maakt het mogelijk om dure hoogwaardige producten in de hele wereld te verkopen.   

Nederland heeft te weinig land om zich te voeden

In de NRC van 13 november staat een verslag van een bezoek van LNV-ambtenaar Coen Zoon aan een varkensboer en zijn zoon.  Wederzijds onbegrip is de rode draad. Ontkenning van wetenschappelijke rapporten  en niet onderbouwde meningen frustreren. De ambtenaar verzucht dat hij de volgende keer een factchecker meeneemt. Aan het eind van het gesprek vraagt hij: “Is het houdbaar om voedsel te produceren in een klein landje als Nederland?” in de volgende zin staat vervolgens dat Nederland de tweede voedselproducent van de wereld is. Dat klopt niet en suggereert daarmee onnodige voedselproductie in ons land.

  1. Veel landen produceren meer voedsel dan Nederland. De top 5 landen in de wereld zijn China, Verenigde Staten, Brazilië, India en Kazachstan.
  2. Om de Nederlandse bevolking te voeden is een landbouwareaal van ca. 3,3 miljoen hectare nodig. Nederland heeft een landbouwareaal van 1,9 miljoen hectare.
  3. Nederland is wereldwijd de tweede exporteur van agrarische producten. Dat is niet alleen voedsel maar ook springpaarden en siergewassen. De cijfers zijn gebaseerd op CBS cijfers. Deze cijfers hebben betrekking op de waarde in euro’s en niet op volumes.
  4. De export van sierteelt heeft van alle agrarische productgroepen met 8,7 miljard de hoogste exportwaarde. Dat is geen voedsel.
  5. Nederland is ook de vijfde importeur van agrarische producten.
  6. Eén derde van de export is doorvoer, import die zonder verdere bewerking wordt geëxporteerd.
  7. Afhankelijk van de productgroep is 49 tot 68 % van de agrarische exportwaarde bestemd voor buurlanden, Duitsland, België, Frankrijk en Engeland. Met deze landen worden 229 miljoen consumenten bereikt in de directe omgeving van onze productiegebieden.
  8. Op basis van volumes is de export naar buurlanden groter dan op basis van exportwaarde. Duurdere producten, zoals springpaarden, melkpoeder, zaaizaad en pootgoed,  gaan verder weg, vaak buiten de EU.

De Nederlandse landbouw is sterk gespecialiseerd. Die specialisatie resulteert in hoogwaardige producten en efficiënte  productiemethoden. Nederland is voor belangrijke voedingsmiddelen zoals  fruit, graan en rundvlees, afhankelijk van importen.

Onjuiste feiten in de krant betekent onjuiste informatie aan het publiek. Dat ambtenaren dicht bij de minister in contact willen komen met de agrarische sector, is toe te juichen. Dan moeten die wel de feiten kennen. Ook bij hun cijfers is factchecking nodig.

  • de cijfers zijn gebaseerd op 2019
  • lees meer op:
  • https://stichtingagrifacts.nl/wp-content/uploads/2021/06/Nederlandse-boeren-produceren-vooral-voor-consumenten-in-de-regio.pdf :
  • De Nederlandse agrarische sector in internationaal verband , Gerben Jukema, Pascal Ramaekers en Petra Berkhout.

Wetenschappelijke communicatie via krantenkoppen

Het wordt gewoonte om onderzoeksresultaten via persberichten bekend te maken. De uitdagende vaak negatieve titels moeten de aandacht van de media trekken. Ze dekken niet altijd de lading van het onderzoek. Erger is wanneer persberichten de wereld in worden gebracht voordat de onderliggende rapporten beschikbaar zijn. Dat maakt persberichten oncontroleerbaar en schuurt met de wetenschappelijke mores.

In mijn rol als feitencontroleur voor de agrarische sector verdiep ik me regelmatig in media-uitingen. De uitgesproken koppen boven artikelen roepen de vraag op waarop die zijn gebaseerd. De persberichten blijken al wat genuanceerder en de onderliggende rapporten evenwichtig zijn. Een enkeling leest die.

In 2020 publiceerde het RIVM het rapport Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2016-2019) en trend (1992-2019). De Nederlandse overheid gebruikt dit om iedere 4 jaar de resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraatrichtlijn actieprogramma’s  te rapporteren. Het persbericht dat het RIVM over dit rapport schreef kopte: “Sinds 2017 weer stijging nitraat in water op landbouwbedrijven” . Daardoor kreeg het een lading die geen recht deed aan de rest van het rapport. De populaire pers sprak over boerensloten. De begeleidende foto’s accentueerden die.  De agrarische sector kreeg de Zwarte Piet toegespeeld.

Volgens het rapport was de droogte in 2018 en 2019 de belangrijkste reden voor de stijging. Daar kon de agrarische sector weinig aan doen.

De laatste paragraaf van de conclusie van het rapport luidde:  “ De kwaliteit van het oppervlaktewater is sinds de vorige periode (2012- 2015) verder verbeterd, maar de verbeteringen zijn klein. De verwachting is dat ondanks de voorgenomen maatregelen, in 2027 niet overal aan de KRW-normen voor oppervlaktewater wordt voldaan.” Dit stond alleen in het rapport en niet in de het persbericht noch op de website van het RIVM. Pas na opmerkingen van mijn kant daarover is de website aangepast. Dat kwam niet meer in de landelijke bladen.

De gelijktijdige publicatie van het persbericht en de beschikbaarheid van het rapport maakte het mogelijk de waarde van het persbericht te beoordelen. Het neemt niet weg dat het persbericht een frame zette waardoor de lezer de rest bevooroordeeld las. Zeker als media het persbericht ongewijzigd overnemen.

Anders is het met een bericht dat de WUR uitbracht waarin gesteld werd dat “Een BLK-kip die gevoerd wordt met o.a. soja uit een land met Land Use Change (zoals Brazilië) blijkt dat uit onze recente berekeningen juist minder CO2-uitstoot per kg levend gewicht te hebben dan een gangbare snelgroeiende kip met soja. Vragen over de onderbouwing werden snel door de betrokken onderzoeker beantwoord. Hij excuseerde zich dat hij niet alle informatie kon geven omdat het wetenschappelijk artikel nog onder review is. Pas als dat gepubliceerd is, komt het onderliggende rapport beschikbaar. Een kritische beoordeling van de uitspraak is onmogelijk.

Het roept wel de vraag op waarom er wel uitspraken in de pers worden gedaan terwijl het artikel nog onder review is. Waarom peer review als je de conclusies al naar buiten brengt? De controle is dan   mosterd na de maaltijd. De quote kan maanden rond gaan en door de herhaling waarheid worden.

Helemaal bont maakte de Vakgroep Psychologie van Risico, Conflict en Veiligheid van de Universiteit van Twente het. Zij brachten een persbericht uit met de titel: Meer risico op zoönose in Nederland dan men denkt. De bewering in het persbericht dat het ontstaan van zoönose in Nederland vooral moet worden gekoppeld aan het eten van vlees uit de intensieve veehouderij, miste elke grond. Het zet de veehouderij onterecht  in een kwaad daglicht en veroorzaakt bij de onwetende lezer onrust.

Bij navraag bleek dat het onderzoek niet gepubliceerd was en zelfs het artikel nog niet geschreven. Bovendien bleek dat een niet-representatieve groep was bevraagd. Het waren mensen die via sociale media waren benaderd. Reden voor belangenorganisaties om bij de commissie wetenschappelijk integriteit een klacht in te dienen.

De tendens dat onderzoeksinstellingen wetenschapsvoorlichting geven door persberichten is op zich niet verkeerd. Die moet wel objectief zijn en niet framend. Aandacht vragen via negatieve toonzetting in de hoop dat de media het oppakken, maakt dat bij de vaak niet-deskundige lezer een verkeerd beeld blijft hangen. Latere correctie is niet interessant voor de pers. In de publieke opinie blijft de krantenkop de waarheid.

De PR-afdelingen van onderzoeksinstellingen hebben de verantwoordelijkheid om ook de wetenschappelijke nuance te communiceren. Het tegelijkertijd beschikbaar zijn van de onderzoeksrapporten is daar een onderdeel van.

In een oase bouw je geen huizen

Het woningtekort staat hoog op de formatieagenda. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) is op zoek gegaan naar geschikte gebieden om woningen te bouwen.  Op basis van een set criteria werden veel gebieden uitgesloten. Het voedselproducerend vermogen van de grond was geen criterium waardoor waardevolle landbouwgrond als bouwgrond wordt aangemerkt.

Tot 2030 is ca 18.400 ha grond nodig om het woningtekort op te heffen. In de verkenning naar bouwlocaties werden bossen, duinen  en de omgeving van Natura 2000 gebieden uitgesloten. Dat geldt ook voor gebieden met cultuurhistorische waarden. Met hongerige ogen werd naar  groene locaties met een agrarische bestemming gekeken.

De agrarische sector verzet zich tegen de verdere afkalving van de landbouw. Het is maar 1.4 % van de agrarische oppervlakte is het verweer van Bouwend Nederland . Voor de landbouw is het weer een stap in de uitfasering van de agrarische sector. De veehouderij moet verminderen om de stikstofimpasse te doorbreken.

De laatste 20 jaar is al ruim 8 % landbouwgrond opgeofferd voor asfalt, industrie, woningen, zonnepanelen of natuur. Terwijl voor de maatschappelijk gewenste verduurzaming van de landbouw juist extra grond nodig is.

Het EIB rapport noemt de vruchtbare gebieden  Goeree-Overflakkee, de Haarlemmermeer, de Hoekse waard en Zuidelijk Flevoland als potentiële bouwlocaties.  De waarde van goede landbouwgrond wordt miskend. Voedselproductie is ondergeschikt aan de bouwdrang.

De doorsnee Nederlander denkt dat we voldoende voedsel zelf produceren. De trots van de Nederlandse agrarische sector als tweede landbouwexporteur ter wereld, werkt nu als een boemerang.  Tegelijkertijd importeren we ook veel ten behoeve van onze eigen voedselvoorziening. . Zelfs al zouden we alleen voor de eigen bevolking produceren  dan nog  is 2 keer zoveel land nodig als nu beschikbaar is.

Iedere hectare vruchtbare grond die verloren gaat moet bovendien worden gecompenseerd door meer land te ontginnen elders. De productiviteit is daar lager. Dus is voor dezelfde productie meer land nodig dan hier verloren gaat. De afname van de voedsel hier gaat ook  in tegen de maatschappelijke wens om regionaal voedsel te produceren.  

De discussie riep herinneringen op aan een reis, die ik maakte door het zuiden van Marokko.   Dagenlang reden we door de droge kale steenvlakte met een enkele zandheuvel. Het grijze groen van een schaarse boom of struik in een opgedroogde rivierbedding bracht kleur in de stoffige omgeving.

Terwijl de schemering snel als een deken over het landschap viel arriveerden we bij een oase om te overnachten. De volgende ochtend wandelden we een berg op. We hadden uitzicht op de oase in het landschap. Het viel op dat de huizen rond de oase stonden. Op mijn vraag waarom de huizen in de brandende zon stonden en niet in het lommerrijke groen, kreeg ik een meewarige blik. De grond in de oase is te vruchtbaar om huizen in te bouwen.

De woestijnbewoners kennen de waarde van vruchtbare grond.  Er zal grond nodig zijn voor woningen. Het getuigt van ecologisch verstand als niet in vruchtbare gebieden wordt gebouwd maar juist in gebieden die voor de voedselproductie minder waardevol zijn of in de steden.  

Kenmerkende flora in de duinen verbetert

De mediacampagne om strengere stikstofmaatregelen in het regeerakkoord te krijgen draait op volle toeren. Deze week berichtte de NOS  dat de duinen lijden onder stikstof. Eerder werden een slecht onderbouwd rapport en dreiging met rechtszaken ingezet om de formatie onder druk te zetten. De NOS rapportage noemde de verbetering van de flora in de duinen de laatste 15 jaar niet. Alleen het negatieve beeld. werd gecommuniceerd.

CLO rapporteerde verbetering van de flora

Het Compendium voor de Leefomgeving rapporteert regelmatig over de trends in natuurontwikkeling. De voor duinen kenmerkende plantensoorten gaan sinds 2005 gemiddeld vooruit in verspreiding. Dat geldt voor planten van droge duinen en nog sterker voor natte duinen (25 soorten vooruit, 6 soorten achteruit). (CLO, 2017 www.clo.nl/nl1603 )

Vóór 1990 ging de flora achteruit. De achteruitgang werd veroorzaakt door vergrassing en verstruiking waardoor het duinlandschap veel minder verstuift dan vroeger en door stikstofdepositie. De stikstofdepositie kwam volgens de auteurs niet alleen door industrie en landbouw, maar ook door een verhoogde uitstoot van ammoniak door algen in de kustzone van de Noordzee. Bovendien zorgde drinkwaterwinning voor afname van natte duingebieden en de infiltratie met rivierwater bracht extra voedingstoffen in delen van het duingebied.

De konijnenstand is door ziekte en predatie sterk afgenomen. Daardoor krijgt vergrassing  meer kans en ontstaan minder stuifplekken.

Amerikaanse vogelkers al 50 jaar een probleem

In het NOS journaal werd de overwoekering van de duinen door de prunus of Amerikaanse vogelkers als bedreigend effect van de stikstofneerslag genoemd. In het begin van de 70-er jaren organiseerde onze studentenvereniging als onderdeel van de introductietijd kampen. Bussen vol eerstejaars werden naar Texel gebracht om  de snel verspreidende exotische prunus uit te roeien. Afgaande op de grootte stond dit onkruid  er al jaren.

Onbetrouwbaar rapport

Vorige maand verscheen een rapport onder de vlag van het Wereld Natuur Fonds, waarin elf wetenschappers concludeerden dat de huidige inspanningen van het kabinet niet zullen leiden tot substantieel natuurherstel. Volgens minister Schouten is het rapport  onvoldoende onderbouwd. De WUR komt binnenkort met een beter rapport.

Het is opmerkelijk dat nadat de Tweede Kamer geïnformeerd was over de matige kwaliteit van dit onderzoek, 35 hoogleraren het rapport gebruikte om de noodzaak van strengere toekomstige maatregelen te bepleiten. Schijnbaar kon de ingezette lobby niet meer worden teruggedraaid. Het deerde de publiciteitswaarde niet. De kritiekloze media als Nu.nl namen het persbericht klakkeloos over. De NOS gaf wel aanvullende informatie.

Dreigen met de rechter

Greenpeace had het commerciële onderzoeksinstituut B-Ware opdracht gegeven de effecten van stikstofdepositie nu en in 2030 te analyseren. Het eerste doel van dit onderzoek was: Een bondig overzicht te geven op welke wijze teveel stikstof de biodiversiteit negatief kan beïnvloeden”. Andere factoren die de biodiversiteit beïnvloeden, zoals verdroging, mochten schijnbaar niet worden besproken. Stikstof was de enige schuldige.  

Op basis van dit rapport roept Greenpeace samen met het Wereld Natuur Fonds, de Vogelbescherming en Milieudefensie op tot een snellere verlaging van de stikstofuitstoot. Komt die er niet, dan stapt de organisatie naar de rechter.

Veehouderij weinig invloed op stikstof in duingebied

De stikstof discussie houdt Nederland en België in de houdgreep. Dat ammoniakuitstoot door de veehouderij een effect heeft op plantengroei valt niet te ontkennen. De bijdrage daarvan aan de verandering van ecosystemen moet wel in perspectief worden geplaatst. Het is één van de factoren. Zeker in het duingebied met een dominante zuidwesten wind is ammoniak uit de landbouw niet de belangrijkste.

Pak ammoniak net zo aan als antibiotica

De stikstofdiscussie blijft de veehouderij achtervolgen.  De uitdaging is om in 2035 de stikstofemissie door de veehouderij met 50 % terug te brengen. De veehouderij zelf moet initiatieven nemen om dat te realiseren. Monitoring op bedrijfsniveau gecombineerd met een aanpak vergelijkbaar met reductie van antibioticagebruik biedt perspectief.

In de stikstofwet is 6 miljard uitgetrokken om de maatregelen te kunnen realiseren. Daarvan is 2 miljard bestemd om de stikstofemissie uit de veehouderij te verminderen. Dat kan effectiever en goedkoper als gekozen wordt voor andere dan voorgestelde richtingen. Ik denk aan een programma waarin ammoniakemissie wordt teruggebracht  door bedrijven met een hoog melkureumgetal te stimuleren het rantsoen aan te passen.

Hete brij

 Meer dan anderhalf jaar danste minister Schouten met gebonden voeten om de hete brij. Haar voorstel om met  een generieke maatregel het eiwitgehalte in het krachtvoer voor alle bedrijven te verminderen, stuitte op heftig verzet. Het voorstel was ondoordacht. Het hield geen rekening met de grote variatie tussen bedrijven. Bovendien werden bedrijven met de efficiëntste eiwitbenutting het meest benadeeld.

De voorstellen van het landbouwcollectief om bedrijven de keuze te geven om met een combinatie van technische maatregelen de N-uitstoot terug te brengen, werd niet overgenomen. Het zou onvoldoende controleerbaar zijn. Echter, een ammoniakreductie beleid kan alleen slagen als dat gebaseerd is op een bedrijfsgerichte aanpak.

Eiwit

Ammoniakemissie is afhankelijk van diverse factoren als management, voeding, mestopslag en methode van uitrijden. De belangrijkste methode om die emissie te beperken is de overmaat eiwit in het voer te beperken. Het melkureumgehalte is een goede indicator voor de eiwitvoorziening van de koe. Het wordt ook door andere factoren beïnvloed, maar voeding is de belangrijkste.  Een ureumgetal van 24 of meer duidt op een overmaat eiwit in het rantsoen, inefficiënte eiwitbenutting en daardoor een hoge ammoniak uitstoot.

Grote verschillen

Koeien & Kansen berekende verschillen tussen bedrijven het melkureumgehalte op basis van jaargemiddelden n 30 % . In 2019 leverde meer dan 1 op de 3 van de melkveebedrijven melk met een ureumgetal hoger dan 24  (RVO). Ruim 5% had een ureumgetal groter dan 28.  Dat is een jaargemiddelde. In het voorjaar vallen waarschijnlijk meer bedrijven in die categorie. Verlaging van het eiwit in  het rantsoen levert op die bedrijven een aanzienlijke vermindering van de ammoniak emissie op.

De reductie van antibioticagebruik is een voorbeeld hoe een systeem dat individuele bedrijven monitort, tot succes leidt. Bedrijven met een hoog verbruik moeten een actieplan opstellen. Wordt daar niet

Melkureum als indicator

Zonder veel extra kosten kan een vergelijkbare systematiek met melkureum als indicator worden opgezet. Ureum wordt al bij iedere melkleverantie gemeten. Een onafhankelijke autoriteit stelt de normen vast en de zuivelindustrie kan een uniform bonus/malus systeem ontwikkelen om bedrijven te stimuleren tot een daadwerkelijke reductie te komen. Een groep onafhankelijke deskundigen adviseert de zuivelindustrie over de e bereiken streefwaarden en de niveaus waarbij een malus moet gelden.

Een dergelijk programma heeft voor veehouders meer voordelen. Onderzoek heeft overtuigend vastgesteld dat een hoog ureum gehalte de kans op verminderde vruchtbaarheid vergroot. In veel gevallen zijn de voerkosten ook lager.

Initiatief

Ik besef  dat het verband tussen melkureum en ammoniakemissie  geen één op één relatie is.   Desondanks is een programma gericht op verlaging van het melkureumgetal   door rantsoenaanpassingen op bedrijven met een  hoog gehalte voor de veehouder positief, geeft het de sector de mogelijkheid initiatief te tonen en komt het tegemoet aan de onvermijdelijke maatschappelijke en politieke wensen.

De ervaringen met de reductie van het antibiotica hebben geleerd dat het mogelijk is.

Deze column is eerder gepubliceerd door de Boerderij