Wetenschappelijke communicatie via krantenkoppen

Het wordt gewoonte om onderzoeksresultaten via persberichten bekend te maken. De uitdagende vaak negatieve titels moeten de aandacht van de media trekken. Ze dekken niet altijd de lading van het onderzoek. Erger is wanneer persberichten de wereld in worden gebracht voordat de onderliggende rapporten beschikbaar zijn. Dat maakt persberichten oncontroleerbaar en schuurt met de wetenschappelijke mores.

In mijn rol als feitencontroleur voor de agrarische sector verdiep ik me regelmatig in media-uitingen. De uitgesproken koppen boven artikelen roepen de vraag op waarop die zijn gebaseerd. De persberichten blijken al wat genuanceerder en de onderliggende rapporten evenwichtig zijn. Een enkeling leest die.

In 2020 publiceerde het RIVM het rapport Landbouwpraktijk en waterkwaliteit in Nederland; toestand (2016-2019) en trend (1992-2019). De Nederlandse overheid gebruikt dit om iedere 4 jaar de resultaten van de monitoring van de effecten van de EU Nitraatrichtlijn actieprogramma’s  te rapporteren. Het persbericht dat het RIVM over dit rapport schreef kopte: “Sinds 2017 weer stijging nitraat in water op landbouwbedrijven” . Daardoor kreeg het een lading die geen recht deed aan de rest van het rapport. De populaire pers sprak over boerensloten. De begeleidende foto’s accentueerden die.  De agrarische sector kreeg de Zwarte Piet toegespeeld.

Volgens het rapport was de droogte in 2018 en 2019 de belangrijkste reden voor de stijging. Daar kon de agrarische sector weinig aan doen.

De laatste paragraaf van de conclusie van het rapport luidde:  “ De kwaliteit van het oppervlaktewater is sinds de vorige periode (2012- 2015) verder verbeterd, maar de verbeteringen zijn klein. De verwachting is dat ondanks de voorgenomen maatregelen, in 2027 niet overal aan de KRW-normen voor oppervlaktewater wordt voldaan.” Dit stond alleen in het rapport en niet in de het persbericht noch op de website van het RIVM. Pas na opmerkingen van mijn kant daarover is de website aangepast. Dat kwam niet meer in de landelijke bladen.

De gelijktijdige publicatie van het persbericht en de beschikbaarheid van het rapport maakte het mogelijk de waarde van het persbericht te beoordelen. Het neemt niet weg dat het persbericht een frame zette waardoor de lezer de rest bevooroordeeld las. Zeker als media het persbericht ongewijzigd overnemen.

Anders is het met een bericht dat de WUR uitbracht waarin gesteld werd dat “Een BLK-kip die gevoerd wordt met o.a. soja uit een land met Land Use Change (zoals Brazilië) blijkt dat uit onze recente berekeningen juist minder CO2-uitstoot per kg levend gewicht te hebben dan een gangbare snelgroeiende kip met soja. Vragen over de onderbouwing werden snel door de betrokken onderzoeker beantwoord. Hij excuseerde zich dat hij niet alle informatie kon geven omdat het wetenschappelijk artikel nog onder review is. Pas als dat gepubliceerd is, komt het onderliggende rapport beschikbaar. Een kritische beoordeling van de uitspraak is onmogelijk.

Het roept wel de vraag op waarom er wel uitspraken in de pers worden gedaan terwijl het artikel nog onder review is. Waarom peer review als je de conclusies al naar buiten brengt? De controle is dan   mosterd na de maaltijd. De quote kan maanden rond gaan en door de herhaling waarheid worden.

Helemaal bont maakte de Vakgroep Psychologie van Risico, Conflict en Veiligheid van de Universiteit van Twente het. Zij brachten een persbericht uit met de titel: Meer risico op zoönose in Nederland dan men denkt. De bewering in het persbericht dat het ontstaan van zoönose in Nederland vooral moet worden gekoppeld aan het eten van vlees uit de intensieve veehouderij, miste elke grond. Het zet de veehouderij onterecht  in een kwaad daglicht en veroorzaakt bij de onwetende lezer onrust.

Bij navraag bleek dat het onderzoek niet gepubliceerd was en zelfs het artikel nog niet geschreven. Bovendien bleek dat een niet-representatieve groep was bevraagd. Het waren mensen die via sociale media waren benaderd. Reden voor belangenorganisaties om bij de commissie wetenschappelijk integriteit een klacht in te dienen.

De tendens dat onderzoeksinstellingen wetenschapsvoorlichting geven door persberichten is op zich niet verkeerd. Die moet wel objectief zijn en niet framend. Aandacht vragen via negatieve toonzetting in de hoop dat de media het oppakken, maakt dat bij de vaak niet-deskundige lezer een verkeerd beeld blijft hangen. Latere correctie is niet interessant voor de pers. In de publieke opinie blijft de krantenkop de waarheid.

De PR-afdelingen van onderzoeksinstellingen hebben de verantwoordelijkheid om ook de wetenschappelijke nuance te communiceren. Het tegelijkertijd beschikbaar zijn van de onderzoeksrapporten is daar een onderdeel van.

In een oase bouw je geen huizen

Het woningtekort staat hoog op de formatieagenda. Het Economisch Instituut voor de Bouw (EIB) is op zoek gegaan naar geschikte gebieden om woningen te bouwen.  Op basis van een set criteria werden veel gebieden uitgesloten. Het voedselproducerend vermogen van de grond was geen criterium waardoor waardevolle landbouwgrond als bouwgrond wordt aangemerkt.

Tot 2030 is ca 18.400 ha grond nodig om het woningtekort op te heffen. In de verkenning naar bouwlocaties werden bossen, duinen  en de omgeving van Natura 2000 gebieden uitgesloten. Dat geldt ook voor gebieden met cultuurhistorische waarden. Met hongerige ogen werd naar  groene locaties met een agrarische bestemming gekeken.

De agrarische sector verzet zich tegen de verdere afkalving van de landbouw. Het is maar 1.4 % van de agrarische oppervlakte is het verweer van Bouwend Nederland . Voor de landbouw is het weer een stap in de uitfasering van de agrarische sector. De veehouderij moet verminderen om de stikstofimpasse te doorbreken.

De laatste 20 jaar is al ruim 8 % landbouwgrond opgeofferd voor asfalt, industrie, woningen, zonnepanelen of natuur. Terwijl voor de maatschappelijk gewenste verduurzaming van de landbouw juist extra grond nodig is.

Het EIB rapport noemt de vruchtbare gebieden  Goeree-Overflakkee, de Haarlemmermeer, de Hoekse waard en Zuidelijk Flevoland als potentiële bouwlocaties.  De waarde van goede landbouwgrond wordt miskend. Voedselproductie is ondergeschikt aan de bouwdrang.

De doorsnee Nederlander denkt dat we voldoende voedsel zelf produceren. De trots van de Nederlandse agrarische sector als tweede landbouwexporteur ter wereld, werkt nu als een boemerang.  Tegelijkertijd importeren we ook veel ten behoeve van onze eigen voedselvoorziening. . Zelfs al zouden we alleen voor de eigen bevolking produceren  dan nog  is 2 keer zoveel land nodig als nu beschikbaar is.

Iedere hectare vruchtbare grond die verloren gaat moet bovendien worden gecompenseerd door meer land te ontginnen elders. De productiviteit is daar lager. Dus is voor dezelfde productie meer land nodig dan hier verloren gaat. De afname van de voedsel hier gaat ook  in tegen de maatschappelijke wens om regionaal voedsel te produceren.  

De discussie riep herinneringen op aan een reis, die ik maakte door het zuiden van Marokko.   Dagenlang reden we door de droge kale steenvlakte met een enkele zandheuvel. Het grijze groen van een schaarse boom of struik in een opgedroogde rivierbedding bracht kleur in de stoffige omgeving.

Terwijl de schemering snel als een deken over het landschap viel arriveerden we bij een oase om te overnachten. De volgende ochtend wandelden we een berg op. We hadden uitzicht op de oase in het landschap. Het viel op dat de huizen rond de oase stonden. Op mijn vraag waarom de huizen in de brandende zon stonden en niet in het lommerrijke groen, kreeg ik een meewarige blik. De grond in de oase is te vruchtbaar om huizen in te bouwen.

De woestijnbewoners kennen de waarde van vruchtbare grond.  Er zal grond nodig zijn voor woningen. Het getuigt van ecologisch verstand als niet in vruchtbare gebieden wordt gebouwd maar juist in gebieden die voor de voedselproductie minder waardevol zijn of in de steden.  

Kenmerkende flora in de duinen verbetert

De mediacampagne om strengere stikstofmaatregelen in het regeerakkoord te krijgen draait op volle toeren. Deze week berichtte de NOS  dat de duinen lijden onder stikstof. Eerder werden een slecht onderbouwd rapport en dreiging met rechtszaken ingezet om de formatie onder druk te zetten. De NOS rapportage noemde de verbetering van de flora in de duinen de laatste 15 jaar niet. Alleen het negatieve beeld. werd gecommuniceerd.

CLO rapporteerde verbetering van de flora

Het Compendium voor de Leefomgeving rapporteert regelmatig over de trends in natuurontwikkeling. De voor duinen kenmerkende plantensoorten gaan sinds 2005 gemiddeld vooruit in verspreiding. Dat geldt voor planten van droge duinen en nog sterker voor natte duinen (25 soorten vooruit, 6 soorten achteruit). (CLO, 2017 www.clo.nl/nl1603 )

Vóór 1990 ging de flora achteruit. De achteruitgang werd veroorzaakt door vergrassing en verstruiking waardoor het duinlandschap veel minder verstuift dan vroeger en door stikstofdepositie. De stikstofdepositie kwam volgens de auteurs niet alleen door industrie en landbouw, maar ook door een verhoogde uitstoot van ammoniak door algen in de kustzone van de Noordzee. Bovendien zorgde drinkwaterwinning voor afname van natte duingebieden en de infiltratie met rivierwater bracht extra voedingstoffen in delen van het duingebied.

De konijnenstand is door ziekte en predatie sterk afgenomen. Daardoor krijgt vergrassing  meer kans en ontstaan minder stuifplekken.

Amerikaanse vogelkers al 50 jaar een probleem

In het NOS journaal werd de overwoekering van de duinen door de prunus of Amerikaanse vogelkers als bedreigend effect van de stikstofneerslag genoemd. In het begin van de 70-er jaren organiseerde onze studentenvereniging als onderdeel van de introductietijd kampen. Bussen vol eerstejaars werden naar Texel gebracht om  de snel verspreidende exotische prunus uit te roeien. Afgaande op de grootte stond dit onkruid  er al jaren.

Onbetrouwbaar rapport

Vorige maand verscheen een rapport onder de vlag van het Wereld Natuur Fonds, waarin elf wetenschappers concludeerden dat de huidige inspanningen van het kabinet niet zullen leiden tot substantieel natuurherstel. Volgens minister Schouten is het rapport  onvoldoende onderbouwd. De WUR komt binnenkort met een beter rapport.

Het is opmerkelijk dat nadat de Tweede Kamer geïnformeerd was over de matige kwaliteit van dit onderzoek, 35 hoogleraren het rapport gebruikte om de noodzaak van strengere toekomstige maatregelen te bepleiten. Schijnbaar kon de ingezette lobby niet meer worden teruggedraaid. Het deerde de publiciteitswaarde niet. De kritiekloze media als Nu.nl namen het persbericht klakkeloos over. De NOS gaf wel aanvullende informatie.

Dreigen met de rechter

Greenpeace had het commerciële onderzoeksinstituut B-Ware opdracht gegeven de effecten van stikstofdepositie nu en in 2030 te analyseren. Het eerste doel van dit onderzoek was: Een bondig overzicht te geven op welke wijze teveel stikstof de biodiversiteit negatief kan beïnvloeden”. Andere factoren die de biodiversiteit beïnvloeden, zoals verdroging, mochten schijnbaar niet worden besproken. Stikstof was de enige schuldige.  

Op basis van dit rapport roept Greenpeace samen met het Wereld Natuur Fonds, de Vogelbescherming en Milieudefensie op tot een snellere verlaging van de stikstofuitstoot. Komt die er niet, dan stapt de organisatie naar de rechter.

Veehouderij weinig invloed op stikstof in duingebied

De stikstof discussie houdt Nederland en België in de houdgreep. Dat ammoniakuitstoot door de veehouderij een effect heeft op plantengroei valt niet te ontkennen. De bijdrage daarvan aan de verandering van ecosystemen moet wel in perspectief worden geplaatst. Het is één van de factoren. Zeker in het duingebied met een dominante zuidwesten wind is ammoniak uit de landbouw niet de belangrijkste.

Pak ammoniak net zo aan als antibiotica

De stikstofdiscussie blijft de veehouderij achtervolgen.  De uitdaging is om in 2035 de stikstofemissie door de veehouderij met 50 % terug te brengen. De veehouderij zelf moet initiatieven nemen om dat te realiseren. Monitoring op bedrijfsniveau gecombineerd met een aanpak vergelijkbaar met reductie van antibioticagebruik biedt perspectief.

In de stikstofwet is 6 miljard uitgetrokken om de maatregelen te kunnen realiseren. Daarvan is 2 miljard bestemd om de stikstofemissie uit de veehouderij te verminderen. Dat kan effectiever en goedkoper als gekozen wordt voor andere dan voorgestelde richtingen. Ik denk aan een programma waarin ammoniakemissie wordt teruggebracht  door bedrijven met een hoog melkureumgetal te stimuleren het rantsoen aan te passen.

Hete brij

 Meer dan anderhalf jaar danste minister Schouten met gebonden voeten om de hete brij. Haar voorstel om met  een generieke maatregel het eiwitgehalte in het krachtvoer voor alle bedrijven te verminderen, stuitte op heftig verzet. Het voorstel was ondoordacht. Het hield geen rekening met de grote variatie tussen bedrijven. Bovendien werden bedrijven met de efficiëntste eiwitbenutting het meest benadeeld.

De voorstellen van het landbouwcollectief om bedrijven de keuze te geven om met een combinatie van technische maatregelen de N-uitstoot terug te brengen, werd niet overgenomen. Het zou onvoldoende controleerbaar zijn. Echter, een ammoniakreductie beleid kan alleen slagen als dat gebaseerd is op een bedrijfsgerichte aanpak.

Eiwit

Ammoniakemissie is afhankelijk van diverse factoren als management, voeding, mestopslag en methode van uitrijden. De belangrijkste methode om die emissie te beperken is de overmaat eiwit in het voer te beperken. Het melkureumgehalte is een goede indicator voor de eiwitvoorziening van de koe. Het wordt ook door andere factoren beïnvloed, maar voeding is de belangrijkste.  Een ureumgetal van 24 of meer duidt op een overmaat eiwit in het rantsoen, inefficiënte eiwitbenutting en daardoor een hoge ammoniak uitstoot.

Grote verschillen

Koeien & Kansen berekende verschillen tussen bedrijven het melkureumgehalte op basis van jaargemiddelden n 30 % . In 2019 leverde meer dan 1 op de 3 van de melkveebedrijven melk met een ureumgetal hoger dan 24  (RVO). Ruim 5% had een ureumgetal groter dan 28.  Dat is een jaargemiddelde. In het voorjaar vallen waarschijnlijk meer bedrijven in die categorie. Verlaging van het eiwit in  het rantsoen levert op die bedrijven een aanzienlijke vermindering van de ammoniak emissie op.

De reductie van antibioticagebruik is een voorbeeld hoe een systeem dat individuele bedrijven monitort, tot succes leidt. Bedrijven met een hoog verbruik moeten een actieplan opstellen. Wordt daar niet

Melkureum als indicator

Zonder veel extra kosten kan een vergelijkbare systematiek met melkureum als indicator worden opgezet. Ureum wordt al bij iedere melkleverantie gemeten. Een onafhankelijke autoriteit stelt de normen vast en de zuivelindustrie kan een uniform bonus/malus systeem ontwikkelen om bedrijven te stimuleren tot een daadwerkelijke reductie te komen. Een groep onafhankelijke deskundigen adviseert de zuivelindustrie over de e bereiken streefwaarden en de niveaus waarbij een malus moet gelden.

Een dergelijk programma heeft voor veehouders meer voordelen. Onderzoek heeft overtuigend vastgesteld dat een hoog ureum gehalte de kans op verminderde vruchtbaarheid vergroot. In veel gevallen zijn de voerkosten ook lager.

Initiatief

Ik besef  dat het verband tussen melkureum en ammoniakemissie  geen één op één relatie is.   Desondanks is een programma gericht op verlaging van het melkureumgetal   door rantsoenaanpassingen op bedrijven met een  hoog gehalte voor de veehouder positief, geeft het de sector de mogelijkheid initiatief te tonen en komt het tegemoet aan de onvermijdelijke maatschappelijke en politieke wensen.

De ervaringen met de reductie van het antibiotica hebben geleerd dat het mogelijk is.

Deze column is eerder gepubliceerd door de Boerderij

Synthetische caseïne is geen zuivel

Onlangs lanceerden Westland Kaas en Those Vegan Cowboys de ontwikkeling van een nieuw vegetarisch product met synthetische caseïne. Schaamteloos werd het vegetarische kaas genoemd. Een bewuste wetsovertreding om de eerste marktbewerkingsfase een succes te maken.

Het persbericht werd vrijwel ongewijzigd overgenomen door de landelijke bladen en vakpers. De vakbladen weten beter maar namen de term vegetarische kaas klakkeloos over. Ze dragen bij aan de introductie van misleidende naamgeving .

Those Vegan Cowboys is de nieuwe onderneming van Jaap Korteweg, oprichter van de vegetarische slager. In een Belgisch laboratorium wordt geprobeerd synthetische caseïne te produceren waarmee dan een consumentenproduct wordt gemaakt. Het onderzoek is nog volop in ontwikkeling en vraagt naar verwachting nog wel 5 tot 7 jaar.

Zuivelnamen voor vega producten verboden

Het is verboden om vegetarische imitaties zuivelnamen te geven. Kaas, room , boter, kwark en yoghurt mogen alleen van melk worden gemaakt en melk komt volgens het Warenwetbesluit Zuivel  alleen uit uiers van zoogdieren.

De poging van Korteweg om tegen beter weten in de associatie met kaas te maken is niet vreemd. Als vegetarische slager won hij rechtszaken om zijn producten vegetarische worst en andere op vlees producten lijkende namen te mogen geven.  Voor zuivel krijgt hij dat niet voor elkaar.

 In 2017 heeft het Europese Hof van Justitie in een arrest bepaald dat een beschrijvende aanvulling ‘plantaardig’, ‘Vega’ of ‘niet-dierlijk’ op een voedseletiket onvoldoende is om verwarring bij consumenten te voorkomen bij  misbruik van dierlijke zuivelbenamingen.  In oktober 2020 heeft het Europees parlement dit bevestigd.

Westland toont ware aard

Westland  Kaas maakt zelf geen kaas  maar richt zich op marketing, sales en R&D. De productie wordt uitbesteed. De marketing gedreven organisatie wil vooraan zitten bij nieuwe ontwikkelingen. Het vegetarische marktsegment is trendy en kent hoge marges. 

Opmerkelijk is dat Westland Kaas deze misleiding niet heeft tegengehouden. Indirect ondergraven zij  de eigen kaasmerken, Old Amsterdam en Maaslander. Ze tonen  hun ware aard.  Voor hen is kaas gewoon handel. Uitgekiende publiciteit moet de toekomstige verkoop ondersteunen.

Westland heeft al een  vega product: Trenta. Zij hebben nu een reukspoor uitgelegd voor de opvolger. Daar is niets mis mee. Wel als dat gepaard gaat met misleidende naamgeving. De marketing georiënteerde organisatie is toch creatief genoeg om hun gele product te lanceren zonder terug te vallen op zuivelnamen. Vegetarische kaas bestaat niet.

Meer transparantie bij vleeskuikenconcepten noodzakelijk

De vleeskuikensector verandert. De introductie van vleeskuikenconcepten stimuleerde ketenvorming. De recente aankondiging van verplichte voeraankopen  in de concepten van Storteboom roept vragen op bij pluimveehouders. Wat betekent dit voor hun ondernemerschap en inkomen? De totstandkoming van opbrengstprijzen bij de verschillende ketens is niet transparant. 

 Nederland is een van de weinige landen waar de vleeskuikensector niet wordt gedomineerd door integraties. Dat verandert snel. Het plofkipimago dwong retailers te reageren. Zij lanceerden eigen concepten.  De Kip van Morgen werd geïntroduceerd en de Dierenbescherming kwam met het Beter Leven-keurmerk. Daarnaast stelt  de biologische sector andere,  specifieke eisen. Het oerwoud van keurmerken en namen blijft groeien. Beter Kip, Nieuwe Standaard kip, Comfort kip, Groenland kip, Scharrelkip en Goednestkip zijn slechts enkele voorbeelden. Voor de consument is het één pot nat.

Onlangs kondigde 2 Sisters Storteboom aan dat De Heus de enige voerleverancier voor haar vleeskuikenprogramma’s wordt. “ Dat bevordert de flexibiliteit om in te spelen op de veranderende vraag in West Europa. Daarnaast moet er wat veranderen want ook voor conceptkipproducten is de prijs belangrijk voor afnemers”, volgens Willem Poelsma  van 2 Sisters Storteboom in een interview met Pluimveeweb.

Het prijsargument  veroorzaakt onrust. De keten sluit zich en de vleeskuikenhouder wordt meer geketend. Een nieuwe generatie van contractboeren lijkt geboren.  Alleen de toekomst zal het leren.

Eerder was het Landbouw Economisch Instituut, het LEI , de informatiebron voor pluimveehouders om factoren te benoemen die inkomensverschillen verklaarden. Die bron droogt op.

Peter van Horne van  Wageningen Economic Research  publiceerde in het voorjaar van 2020 een vergelijking van economische resultaten van verschillende Nederlandse vleeskuikenproductiesystemen. Hij vergeleek de economie van de gangbare vleeskuikenhouderij met de Kip van morgen, het Beter leven 1 ster concept en de biologische kip.

De gangbare en biologische concepten resulteerden in een vergelijkbaar inkomen, terwijl het CBL concept en  Beter leven 1 ster iets beter scoorden. Dat zou geruststellend moeten zijn. Echter, dit waren alleen resultaten van 2017. Hij heeft geen recentere gegevens en betwijfelt of hij ze ooit zal krijgen. Hij benadrukt dat zijn rapport de gegevens van  slechts één slachterij en van één jaar waren. “De onderzoeksresultaten zijn dus zeker niet algemeen geldend voor de hele sector”, zo stelde hij.

Ook de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders klaagde over het gebrek aan transparantie. De verschillen in toeslagen maken de opbrengst prijzen ondoorzichtig. Daarom was een prijzen informatiesysteem voor vleeskuikens opgezet. Door gebrek aan informatie is dat initiatief stopgezet.

Een recent rapport van de Dierenbescherming zet vraagtekens bij de transparantie van supermarktconcepten. Het Beter Leven keurmerk is helder over het inspectie- en sanctioneringsbeleid. Dit geldt niet voor de supermarktconcepten. Ook de transparantie over de criteria is bij de supermarktconcepten minder goed dan die van het Beter Leven keurmerk of biologisch.

Veel gegevens, die publiek beschikbaar waren, blijven nu in de schoot van de ketens. Om zowel de pluimveehouders als de consument meer inzicht te geven om te kunnen besluiten welk concept hen het beste past zal meer openheid moeten worden geven. De pluimveehouder heeft dat nodig om te beslissen  welke keten  hem het beste inkomen geeft en de consument om vertrouwen in de kip te houden.

.

Eeerder gepubliceerd op Pluimveeweb

.

.

.

Duurzaamheidsrapport CLM is goede aanzet

Vorige week publiceerde het CLM het rapport:” Duurzaamheidseffecten van stikstof-en klimaatmaatregelen voor de landbouw”. Het rapport geeft een integrale beoordeling van maatregelen om de emissies uit de landbouw te beperken  op  een breed scala aan duurzaamheidsthema’s. Het kan beleidsmakers helpen bij hun besluitvorming.  Een van de  conclusies is dat vermindering van de veestapel in Nederland niet duurzaam is als de consumptie van dierlijke eiwitten niet afneemt.  

CLM verdient complimenten om maatregelen om één probleem op te lossen te beoordelen op verschillende duurzaamheidsthema’s. De auteurs wogen ieder duurzaamheidskenmerk even zwaar. Dat kan ook niet anders. Iedere keuze lokt discussie uit. Zelfs een overzicht waarbij de maatregelen evenveel gewicht hebben gekregen is discutabel.

Beperking van de import van kalveren met 50 % en het uitkopen van 5 % van melkvee bij Natura 2000 gebieden zijn de meest duurzame maatregelen. Vervanging van  25 % van de kunstmest  door dierlijke mest, verdunnen van drijfmest met 50 % water en luchtwassers op pluimvee- en varkensstallen zijn volgens deze benadering het minst effectief voor duurzaamheid.

Verkleining van de veestapel scoort goed als verbetering van de duurzaamheid.  Terecht vermeldt het rapport dat verkleining van de veestapel de milieubelasting in Nederland vermindert. Als de consumptie van dierlijke producten niet gelijktijdig verandert, wordt de milieubelasting verplaatst naar het buitenland. Het is jammer dat alleen het effect op broeikasgassen in het buitenland is meegenomen. Andere negatieve effecten van verplaatsing naar het buitenland blijven buiten beschouwing. Dat doet onrecht aan de Nederlandse veehouders die op dierwelzijn en antibioticagebruik beter scoren.

Opvallend was dat meer maatregelen een negatief zijn voor diergezondheid dan dat maatregelen positief werken. De negatieve effecten werden genoemd bij lagere N aanvoer op melkveebedrijven, minder N-bemesting, introductie van vlinderbloemigen en luchtwassers op varkens-en pluimveestallen.  

Veel punten in het rapport nodigen uit tot discussie en kunnen genuanceerd worden. De auteurs moesten bovendien voor een aantal kenmerken vertrouwen op  “expert judgements”. Dat neemt niet weg dat het breder beoordelen van de maatregelen dan alleen het primaire doel, een goede benadering is.

 Het rapport is een goede aanzet. Aanvulling van het rapport met  technische oplossingen en  voermaatregelen en de effecten op sociaaleconomische aspecten maakt het rapport vollediger. Voor een integrale beoordeling van maatregelen zijn aspecten als directe en indirecte werkgelegenheid,  inkomens van veehouders en behoud van de infrastructuur van de veehouderij onontbeerlijk. Pas dan kunnen beleidsmakers er echt hun voordeel mee doen.

Het rapport is te downloaden op:  https://www.clm.nl/publicatie/188/18

Beeldenstorm

Vrijwel dagelijks tonen de media beelden van bekladde, beschadigde en omvergehaalde beelden van helden uit het verleden. Zij kregen hun heldendom door onderdrukking, respectloos behandelen en uitmoorden van de niet-blanken. Nu zijn zij samen met Zwarte Piet symbool van racisme.

In de Westerse wereld ontkende de christelijke blanke cultuur discriminatie jarenlang. Het veelstemmige internationale BLM-koor trekt nu alle aandacht naar zich toe. Andere gediscrimineerde groepen, homo’s, vrouwen, allochtonen en moslims, zijn gedwongen het achtergrondkoor te vormen.

 Volgens artikel 1 van de grondwet en de Rechten van de Mens is iedereen gelijk. De gevestigde orde interpreteert dat flexibel, vaak niet eens bewust. De traditionele sociale omgeving bepaalt hun referentiekader en comfortzone. Daar buiten treden en iedereen gelijkwaardig behandelen, gaat niet zomaar. Daarvoor moet innerlijke weerstand overwonnen worden. Zonder druk van buitenaf komt die verandering er niet.

Veel revoluties beginnen met het omver halen van de beelden van de gehate machthebbers.  Dat deden de protestanten bij ons in 1566. Dat deden de anti-communisten in 1989 in het Oostblok. Dat deed de Taliban-regering in Afghanistan die de immense boeddhabeelden liet opblazen. Dat deed ISIS door in Palmyra niet alleen de beelden maar alles op te blazen. Wat dat betreft waren de oude Egyptenaren beschaafder. Die hakten vaak alleen de neuzen van de beelden af.

De verontwaardiging is groot wanneer monumenten uit de klassieke oudheid met grote cultuurhistorische waarden ten prooi vallen aan de verontwaardiging van de massa. . Tegelijkertijd juichen we stilletjes mee wanneer dictators als Khadaffi van hun voetstuk worden getrokken. Hoe ouder de beelden hoe belangrijker wij de cultuurhistorische waarde vinden.

Mijn katholieke achtergrond heeft mijn afkeer van het vernietigen van beelden bepaald. De   lagere school stond onder leiding van broeders. De  geschiedenislessen over de reformatie en beeldenstorm waren doordrenkt met verontwaardiging over het onrecht dat katholieken was aangedaan. Dat gevoel nestelde zich in mijn jonge brein. Meer dan 50 jaar later bepaalt het nog steeds mijn primaire reactie.

De opgekropte woede en adrenaline zoeken een uitweg.  Neerhalen van beelden geeft tijdelijk bevrediging maar op termijn lost het niets op.

De maatschappelijk weerstand tegen beelden van foute helden, symbolen van discriminatie en onderdrukking, dwingt autoriteiten om een standpunt te bepalen over de toekomst van die beelden. Een afweging tussen cultuurhistorisch besef en tijdsgeest.

Beslissers kunnen een voorbeeld nemen aan Estland. Het land zuchtte jarenlang onder de overheersing van de Sovjet Unie. De wonden zijn nog lang niet geheeld. Na de revolutie zijn  Sovjet beelden verzameld en samengebracht in een museum. Die plek nodigt uit om de verschrikkelijke verhalen te vertellen en de geschiedenis niet te vergeten. De beelden dragen zo bij aan het historisch  bewustzijn en zorgen dat de gruwelijkheden uit het verleden aandacht blijven krijgen. Een beeldenstorm had dat onmogelijk gemaakt.

Goed nieuws over antibiotica is ook nieuws

Soms geeft een bericht  je een goed gevoel.  Dat gebeurde  toen ik het laatste rapport van de Autoriteit Diergeneesmiddelen over het antibioticagebruik in de veehouderij las. In 10 jaar tijd is het gebruik met 70 % gedaald. In het buitenland dwingt het respect af, hier krijgt het nauwelijks aandacht.

Ik was prettig verrast omdat, na een initieel sterke daling, de vermindering  leek te stagneren. Dit jaar was er weer een daling. Hopelijk zet de trend zich door.

Begin deze eeuw verschenen publicaties over kruisresistentie: in de veehouderij gebruikte antibiotica veroorzaakten  ook resistentie tegen antibiotica, die exclusief gereserveerd waren voor humane toepassingen. De noodzaak om te verminderen werd urgenter.

In 2006 werd de eerste stap gezet door deze stoffen niet meer toe te staan in de diervoeding. In plaats van een daling nam de totale hoeveelheid toe doordat meer antibiotica moesten worden gebruikt als medicijn.

In 2009 kwam landelijk beleid. Bedrijven die teveel medicijnen gebruikte moesten een plan van aanpak maken. Als bedrijven veel meer dan andere bedrijven gebruikten mochten die minder dieren houden. Na 10 jaar is een reductie van 70 % bereikt.

Tijdens mijn consultancy activiteiten in het buitenland kreeg ik vaak vragen over het Nederlandse model. Niet alleen West Europa maar ook in Azië en vooral China was er grote interesse. Antibiotica reductie staat bij veel beleidsmakers en producenten van diervoeders in dat werelddeel hoog op de agenda en is onze aanpak een voorbeeld.

Ook bij mensen is het antibiotica gebruik in Nederland het laagste in de EU. De gemiddelde EU inwoner gebruikt 2 keer zoveel antibiotica dan de gemiddelde Nederlander. De Grieken zijn met meer dan 3 keer de Nederlandse hoeveelheid Europees “koploper”.

In vergelijking met de gemiddelde Nederlander krijgen leghennen en rundvee minder antibiotica per dag. Varkens ongeveer even veel. Gevoelige jonge dieren als biggen en vleeskuikens hebben een hoger gebruik.

De publieke perceptie dat de veehouderij strooit met antibiotica is niet juist. Dat blijft zo als goed nieuws niet wordt omarmd en gecommuniceerd. Het goede nieuws krijg je niet te horen.  Dan blijven achterhaalde feiten de waarheid.

Natuurmonumenten kleurt resultaten

Deze week verscheen een rapport over de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in vier Natura 2000 gebieden in Drenthe. Het onderzoek was op verzoek van Natuurmonumenten uitgevoerd.  Er waren 31 bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Gelijk een Pavlov reactie werd  met de beschuldigende vinger naar de landbouw gewezen.  Onterecht naar nu blijkt.

De persvoorlichter van Natuurmonumenten legde een verband met de landbouw. Het onderzoek vond geen verband tussen de gevonden bestrijdingsmiddelen en de afstand tot landbouwgebieden. Dat zou aanleiding moeten zijn geweest om naar andere bronnen te zoeken.

De 4 meest gevonden middelen worden niet in de agrarische sector gebruikt. Planten produceren ze zelf, komen vrij bij verbranding, zijn bestanddeel van industriële reinigingsmiddelen of zijn, zoals Deet, een insectenwerend middel.

Difenyl werd zowel in frequentie als volume het meest aangetroffen. Een stof wordt gevormd bij verbranding. De Nederlandse personenauto’s produceren per jaar  6000 kg van deze stof. Het rapport ging hier volledig aan voorbij.

Het is niet de eerste keer dat Natuurmonumenten onderzoeksresultaten gekleurd communiceert en  zonder bewijs naar de landbouw wijst. Zelfs wanneer de rapporten vermeldden dat de oorzaak onbekend is.

In maart 2018 verscheen het rapport:” Alle beestjes helpen”. In het begeleidende persbericht werd gesproken over een dramatische achteruitgang van  5 insectensoorten. Alleen de wantsen waren stabiel. De insectenstand zou met 70 % zijn afgenomen. De directeur van Natuurmonumenten legde een verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen door de landbouw. De wetenschappelijke publicatie over dit onderzoek ( C.A. Hallmann et al, 2019) noemt slechts over de teruggang van 3 van de 6 onderzochte soorten.

Volgens diezelfde perspublicatie van Natuurmonumenten was  de stand van haften(eendagsvliegen) in 27 jaar met 98 %  teruggelopen, terwijl Hallmann de stand van deze populatie stabiel noemt. In de periode van 2009 tot 2017 is populatie haften zelfs een licht stijgend. Een creatief staaltje datashopping zorgde voor publicitair aantrekkelijke cijfers.

Het onderzoek vond plaats over een periode van 12 jaar. Alleen in de laatste 9 jaar waren de cijfers in opeen volgende jaren beschikbaar. Wetenschappelijk dus volkomen juist om alleen die cijfers te gebruiken. Maar men ging verder. De cijfers van 12 jaar werden geëxtrapoleerd naar een periode van 27 jaar. Een wetenschappelijke doodzonde.

Iets vergelijkbaars  gaat op voor gaasvliegen. De onderzoekers vonden de trend in hun aantallen te onduidelijk om een eenduidige conclusies te kunnen trekken.  Natuurmonumenten noemde een teruggang van 72 %.

Natuurmonumenten maakt zich terecht zorgen over ons leefmilieu en de insecten stand. Het selectief winkelen in gegevens, het overdrijven van de resultaten en het systematisch wijzen naar de agrarische sector maakt de organisatie ongeloofwaardig. De leden van Natuurmonumenten hebben recht op objectieve en betrouwbare  informatie.  De uitspraak dat de insecten stand met 70 % afgenomen is, is op zijn minst overdreven.