Plofmerel

Ik heb een speciale band met merels. Zodra ik met schep of schoffel in de tuin kom, zijn ze er als de kippen bij om brutaal de blootgelegde kronkelende wormen en andere aardbewoners onder mijn schep weg te pikken. Hun gedrentel belemmert mijn werkzaamheden op een prettige manier.

Ik had ze al een tijdje gemist en had me er al bij neergelegd dat ze slachtoffer waren van het nietsontziende dodelijke merel-virus.

Mijn dag kon niet meer stuk toen ik ze weer zag. Het samenspel van ochtendzon en dauw gaf het fris groene gazon glans. Het vormde het decor voor een vertederend schouwspel. Pa merel in zijn deftige zwarte pak en felle oranje snavel werd achtervolgd door 2 hippende bolletjes. De chocoladekleurige moeder volgde op enige afstand.

Als kleine kinderen bij de snoepafdeling van de supermarkt bedelden de jongen om voer. Bij de eerste worm waggelden ze naar hun vader. Met hun wijd open bekjes en met hoge frequentie fladderende vleugeltjes, schreeuwden ze om aandacht. Pa merel had ondertussen een snavel vol wormen en torretjes. Behendig werd het achter in de keel van de jongen gepropt. Franse producenten van foie gras kunnen nog wat opsteken van deze voertechniek.

De enkele weken oude schreeuwertjes zijn bijna groter dan hun ouders. De vakidioot in mij maakt onwillekeurig de vergelijking met de groei van kippen. Hoe snel bereiken deze babyvette verenballen hun volwassen gewicht? Internet moest uitkomst bieden.

De zoekwoorden “merel” en “gewichtsontwikkeling” gaf een flink aantal hits. Websites waarop vrouwen vol trots hun gewichtsafname aan de wereld tonen. Interessant, maar niet wat ik zocht. Na een uur lang duizenden zoekwoord combinaties zonder succes te hebben ingetoetst, gaf ik het op.

Vergelijkbare zoektochten bij mussen en spreeuwen gaven helemaal geen hits.

De 5 weken oude merels zijn bijna even groot als hun ouders.  De moderne kip heeft daar 3 tot 4 maanden voor nodig. Vergeleken met de vogels die in mijn tuin hun eerste vlieguren maken en van wormenmaaltijden genieten, zijn de huidige vleeskuikens maar traag groeiende vogels.

Deze traag groeiende dieren zijn door de marketeers van Wakker Dier omgedoopt tot plofkippen. Op basis van groeisnelheid verdienen alle tuinvogels het Plof-predicaat. Het gaat mij te ver om mijn begeleider tijdens tuinwerkzaamheden plofmerel te noemen.

Waterschapsverkiezingen

Niet-de-eerst-de-beste mailde me onlangs dat hij het stembiljet voor de waterschapsverkiezingen had verscheurd. Ik werd er “niet boos, maar verdrietig” door. Dat gevoel heb ik altijd als iemand doelbewust niet stemt.

Hij voelde zich onvoldoende geïnformeerd en begreep ook het belang van de verkiezingen niet. De ministeries moeten toch in staat zijn goede bestuurders te benoemen. Hij hoopte dat zijn de verscheurdrift  door zijn kinderen wordt overgenomen. Dat stak mij het meest.

De uren daarna vormden  argumenten, emoties en  gedachten een onontwarbare kluwen in mijn gepijnigde hersenen.  Blokkeerde  mijn emotie begrip voor zijn argumenten? Voor zijn Amsterdamse paalwoning is een goed waterpeil toch van levensbelang.

Het belang en de taken van het waterschap zijn voor veel kiezers net zo onbekend  als de geur van het oerwoud. Zij zijn in het “goede” gezelschap van premier Rutte. Gevraagd naar het belang van de waterschapsverkiezingen antwoordde hij: “Iedereen wil toch schoon drinkwater.”  Daar gaat het waterschap juist niet over.

Wel de zorg voor waterkering, waterpeil en schoon oppervlakte water.

Als 5-jarige hoorde  ik voor het eerst over waterbeheer. Mijn opa harkte halfvergane stinkende planten en blubber op de slootkant.  De op die leeftijd klassieke vraag: “Waarom?” werd geduldig beantwoord. Leunend op zijn hark vertelde hij dat het water dan beter weg kon.

Op de volgende Waarom? antwoordde hij ;”Als ik het niet doe, kan het land onder water lopen. Na zondag komen mensen kijken of ik  het goed heb gedaan en ik ga bij anderen gaan kijken. Dat heet schouwen.”

De waterschapsverkiezingen waren ondergesneeuwd door de verkiezingen voor Provinciale Staten, die op hun beurt weer door de landelijke politiek waren gekaapt. De Baudet-hype in de media  liet geen ruimte voor informatie over het belang van waterschapsverkiezingen.

Oorspronkelijk waren landeigenaren en boeren belanghebbenden bij de waterschappen. De burgers moesten wel mee betalen. Niet-agrarische belangen als recreatie, natuur en milieu werden steeds  belangrijker in het beleid en uitvoering van taken. Burgers verdienden een stem in het bestuur.

De politieke partijen zijn in het gat gesprongen, zelfstandig of zoals de linkse partijen, met een gezamenlijke lijst. Voetje voor voetje sluipen politieke machtspelletjes  de waterschapsbesturen binnen. Het spreekwoordelijke poldermodel wordt langzaam ondergraven.

Het zou beter zijn dat iedere belangengroep experts mag voordragen. Dat bevordert evenwichtige belangenafweging en besluitvorming meer dan besluiten op basis van macht. Macht, gelegitimeerd  door slecht geïnformeerde kiezers.

Niet-de-eerste-de-beste had dus een punt. Het is verstandiger niet te stemmen dan een willekeurig vakje rood te maken. De waterschappen moeten hun taken en dilemma’s meer bekendheid hebben gegeven als zijn kinderen mogen stemmen. Dan wordt het stembiljet gebruikt waarvoor het is bedoeld.

De vergadering

Ik reed naar een bestuursvergadering op de Veluwe. De avondzon gaf de wereld  een gouden gloed en de uitbottende bomen symboliseerden de definitieve komst van de lente.  Er stonden geen grote punten op de agenda. Ik verwachtte niet laat thuis te zijn en hoopte nog wat van de avond te genieten.

Om half 8 waren nog niet alle leren stoelen in de modern ingerichte directiekamer bezet. Tien  minuten later druppelde Altijd-te-laat binnen. Zijn excuus: “Net toen ik wilde parkeren,  ging de telefoon”, werd gelaten aanvaard. De vergadering kon beginnen.

Bij agendapunt 1 opende iemand de enveloppe met de stukken. Anderen openden verscholen achter hun laptops de digitale versies.  Het was on duidelijk of ze dat al eerder gedaan hadden.

Het jongste lid kondigde aan om uiterlijk kwart voor 10  te moeten vertrekken vanwege de oppas. Instemmend werd gemompeld dat dit hen ook goed zou uitkomen. “Dat moet lukken als iedereen meewerkt”, stelde de voorzitter zelfverzekerd.

De notulen kwamen aan de orde. Steevast-spelfoutenontdekker leunde trots glimmend achterover. Hij was weer succesvol geweest. Voor hem kon de avond niet meer stuk.

Altijd-op-anderen-reageerder had nog eens  nagedacht en vond dat de genotuleerde beslissing moest worden aangepast. De vorige vergadering werd overgedaan. De stemming werd grimmiger. De voorzitter raakte de regie kwijt. Buiten was de gouden gloed  donkergrijs geworden.

Het volgende agendapunt betrof het personeelsbeleid. De directeur vroeg of iedereen de notitie had gelezen die gisteravond op de mail was gezet. De helft had het niet gelezen. Er werd een leespauze ingelast. De andere helft bestudeerde de kleurrijke expressionistische schilderijen aan de muur.

De vergadering werd vervolgd. De korte voorbereiding gaf de onderbuikdiscussie volop de kans. Babylonië was er niets bij. De voorzitter probeerde vergeefs een conclusie te trekken. Met steeds groter wordende transpiratievlekken onder zijn oksels stelde hij voor de volgende keer een definitief besluit te nemen.

Opgelucht liet oppas-aflosser zich excuseren en  graaide de papieren bij elkaar.

Vervolgens stond  overleg met de gemeente op het programma.  De voorzitter en de secretaris waren het niet eens over de aanpak. In de onderlinge discussie werden 6 keer dezelfde argumenten gebruikt. Ze verschilden alleen in volgorde en toonhoogte. Ondertussen raadpleegden de anderen hun smartphones veelvuldig.

De doorgaans zwijgzame penningmeester greep in: “Zal ik vertellen waar jullie het over eens zijn?”  De verschillen bleken futiel.

De overige agendapunten werden uitgesteld.

Op de terugweg maakten donderwolken de wereld aardedonker. Het chagrijn over een verloren avond  versterkte mijn vermoeidheid.  Toen ik  thuis de oprit opreed, klonk de eindtune van Met het oog op morgen.

Tulpentoeristen

De tulpenvelden hebben Flevoland omgetoverd in een veelkleurig schouwspel. Luchtfoto’s zouden niet misstaan op tentoonstellingen over de Stijl.  Het is een verademing na de donkere grijsgrauwe vlakten in de winter. Hordes dagjesmensen weten dat ook, ze nemen de polder in bezit en trekken zich nergens wat van aan.

De wandel-, fiets- en autoroutes leiden toeristen langs de bollenvelden.  Talloze vrijwilligers hebben zich uitgesloofd om de buitenwereld die schoonheid te tonen en het saaie imago van de streek op te fleuren. Hier en daar probeert een gezin een graantje mee te pikken door een zomerse Koek en Zopie  op te zetten of hun huis via Airbenb te verhuren.

De over de smalle polderwegen kronkelende verkeersslang roept beelden uit het verleden op. De tot de nok toe met kinderen en opa en oma’s gevulde gezinsauto’s zijn ingeruild voor glimmende cabriolets met gesoigneerde pettendragers  en buitenlandse campers met grijze koppen.

Ik mis de bloemenslingers, die vroeger in de echte bollenstreek door kinderen verkocht werden aan stapvoets file rijdende automobilisten. De op de motorkap van de auto vastgebonden rood-gele slingers werden als trofeeën van een opwindend uitje meegevoerd.

Nu blokkeren verlaten auto’s met nog openstaande deuren de wegen. De selfie midden in een bollenveld is de moderne trofee. Ter  plaatse worden grote hoofden met een kleurige achtergrond op de sociale media gedumpt om met de wereld hun “goede gevoel”- ervaring te delen.

Dan zijn er ook nog de zich professioneel wanende amateurfotografen, die met hun gloednieuwe 20.000 pixelapparaten, op hun buik liggend, die ene bijzondere tulp willen fotograferen. Ondertussen worden tientallen andere bloemen geplet bij het kiezen van de juiste positie. Niet wetend dat die bijzondere tulp ziek is en zo snel mogelijk wordt vernietigd.

Zelf ga ik op de fiets. Het vechten met windkracht 5 hoort daarbij. Ik troost me met de gedachte dat fysieke inspanning goed is. Het goede gevoel verdwijnt snel als ik door gezellig keuvelende elektro-pensionado’s wordt ingehaald.

De eerste tulpen zijn alweer gekopt. Over  een paar weken is de unieke kleurschakering verdwenen en heeft plaats gemaakt voor wit en paars bloeiende aardappelvelden en het geel van koolzaad. Gecombineerd met het frisse groen van graan en de bloeiende akkerranden is het nog steeds mooi, maar te weinig spectaculair voor massatoerisme.

Dan wordt de polder weer van de bewoners. Het is als familiebezoek. Even is leuk maar het mag niet te lang duren. Je moet er niet aan denken dat je in Amsterdam woont en het hele jaar gasten over de vloer hebt.

Kiezersdilemma

Bij de verkiezingen deze week strijden de  landelijke politieke leiders om de gunst van de kiezer. Deze provinciale verkiezingen bepalen meer dan ooit de toekomstige Haagse verhoudingen. Tijdens televisiedebatten raken de provinciale thema’s ondergesneeuwd en komen nauwelijks aan de orde.  Bij de regionaal belangrijke thema’s voel ik me meer verwant met een andere partij dan bij de landelijke vraagstukken. Dat maakt de keuze deze keer duvels ingewikkeld.

Naar verwachting zal de coalitie haar meerderheid in de Eerste Kamer gaan verliezen. Juist omdat de Eerste Kamer meer politiek stelling neemt wordt haar samenstelling belangrijk. Dat verklaart ook de extreem grote media aandacht.

Als ik de mogelijkheid had, koos ik voor verschillende partijen voor de Eerste Kamer en voor de Provinciale Staten. Landelijk spelen  thema’s als onderwijs, pensioenen, inkomensverdeling en klimaat.  Dat zijn totaal andere vraagstukken  dan ruimtelijke ordening, openbaar vervoer infrastructuur en de verhouding tussen  natuur en landbouw, waar de provincie zeggenschap over heeft.

Ik vind klimaat, inkomensverdeling en onderwijs belangrijke onderwerpen waar ik een duidelijke mening over heb. Het zou logisch zijn dat ik mijn keuze daardoor laat bepalen. Het zou het kabinet dwingen om meer rekening te houden met de standpunten van  mijn geestverwanten.

Door het systeem van getrapte verkiezingen heeft mijn stem als inwoner van Flevoland voor de Eerste Kamer meer gewicht dan die van een Noordhollander. Per 10.000 inwoners heeft Flevoland 1 stem in de verkiezingen voor de Eerste Kamer, voor Noord Holland is dat één per 50.000 inwoners. Het is voor Flevolanders een buitenkansje om meer invloed te hebben op de besluitvorming op het Binnenhof.

Regionale thema’s hebben direct invloed op de eigen leefomgeving. Ook daar wil ik invloed op hebben. Ik wil mijn stem laten gelden over zaken als landbouw en natuur, de ruimtelijke ordening en  stimuleren van de regionale economie.

Daarnaast ben ik meer bekend met het functioneren een aantal statenleden dan senatoren . Sommigen hebben het in mijn ogen goed gedaan, anderen juist niet. Voor allemaal geldt dat zij zich in hebben gezet voor het algemeen belang. Hen niet te waarderen door mijn stem te laten bepalen door de landelijke politiek geeft een licht schaamtegevoel.

Ik overweeg tegenwicht te bieden aan de nationale campagnes en mijn betrokkenheid bij Flevoland de prioriteit te geven. Zeker is dat nog niet. Het is niet uitgesloten dat ik in het kieshokje nog een munt moet opgooien en het lot laat beslissen, welke partij en welke persoon mijn stem krijgt. Het zal een keuze worden waar ik lang over heb nagedacht, maar desondanks een ongemakkelijk gevoel geeft.

Kansloos media optreden

 

Tegenstanders van de veehouderij gebruiken iedere aanleiding om hun ongenuanceerde afkeer over de veehouderij in de media te uiten.  Het klimaatakkoord en het plukken van dons bij levende eenden in China  zijn recente voorbeelden. De om een reactie gevraagde  belangenbehartigers van de veehouderij zijn bij voorbaat kansloos in media discussies.

De Partij voor de Dieren verkondigde dat de klimaatdoelstellingen in één klap worden gehaald als de veehouderij verdwijnt.  Op  de radio ging Esther Ouwehand in discussie met LTO bestuurslid, Dirk Bruins. Ieder genuanceerd  argument van deze veehouder beantwoordde  de goedgebekte politica met oneliners uit haar vaste repertoire. Alles werd erbij gehaald: de bossen in Zuid Amerika, de soja importen, landbouwsubsidies en welzijn. Het leidde de aandacht af van het onderwerp van de discussie.

Ook een verloren strijd voerde eendenhouder Maarsingh toen hij in het programma Kassa een reactie gaf op beelden van Animal Rights over de eendenhouderij. De beelden waren confronterend.  Hij probeerde manmoedig de retorische vragen van de presentatrice genuanceerd te beantwoorden en de sector te verdedigen.  Het lukte hem niet. Het was vechten tegen de bierkaai.

Het is jammer dat hij de getoonde behandeling van de dieren niet afkeurde. Daardoor stond  hij bij de gemiddelde kijker gelijk op achterstand. Zijn argumenten deden er niet meer toe. In de ogen van de kijker  werden de problemen ontkend en zijn argumenten waren voor dovemans oren.

Veehouderijvertegenwoordigers zijn niet gewend te appelleren aan de emoties van de stedeling.  In media discussies zijn de zakelijke praktijkmannen geen partij. Zij zijn nauwelijks opgewassen tegen discussievaardigheden van hun opponenten en staan ver af van de heersende emoties in de driehoek Grachtengordel- Binnenhof-Mediapark.

De veehouderij verdient betere publiciteit. Daarvoor is tenminste nodig dat tegenwicht wordt geboden aan gepassioneerde politici en kritische interviewers. Boerenvoormannen zouden er goed aan doen mediatrainingen te volgen, slecht nieuws gesprekken te leren voeren en vooraf een rollenspel te oefenen.  Wellicht nog beter is dat woordvoerders met mediaervaring de veehouderij  vertegenwoordigen in publieke discussies.

Het belangrijkste is dat de er geen reden is om dergelijke discussies te moeten voeren. De uitwassen moeten worden uitgeroeid. Het bestaan daarvan te ontkennen helpt niet, zelfs als ze niet representatief zijn. Het is  een bron van negatieve publieke emoties en zullen steeds vaker tegen ons worden gebruikt. Alleen als die opgelost zijn  kan de positieve boodschap worden uitgedragen en is de burger bereid te luisteren naar veehouders.

De vliegschaamte voorbij

De laatste weken domineerden de voorstellen voor het klimaatakkoord de media. Voor het eerst heb ik het gevoel dat er een echte maatschappelijke discussie wordt gevoerd. Het gaat iedereen persoonlijk raken en is uiteindelijk niet zonder gevolgen. De vrijblijvende salondiscussies moeten worden omgezet in onplezierige keuzes en gedragsveranderingen.

In die maatschappelijke discussie is vorig jaar het begrip vliegschaamte ontstaan. Het is de schaamte die iemand ervaart als hij of zij gaat vliegen als er ook minder milieubelastende alternatieven zijn. Het woord vertolkt het onbestemde gevoel dat ik de laatste maanden weleens had.

Ik wilde weten welk effect het vliegen voor mijn persoonlijke carbon footprint had. Op internet staan verschillende sites waar je die kunt berekenen. De effecten van gedrag als vlees eten, woningisolatie, met de fiets naar het werk gaan, het openbaar vervoer nemen of reizen met auto en vliegtuig worden in CO2 emissie uitgedrukt. Een hulpmiddel om je bewust te worden van de  milieu impact van je handelen.

De  uitslag van de invulactie was confronterend. In 2018 was mijn CO2 emissie 25,8 ton of 5 keer de doelstelling per persoon voor 2030. De vergoelijkingen en excuses had ik snel gevonden, immers meer dan 20 ton werd veroorzaakt door zakelijk reizen en woon-werkverkeer.

Klanten bezoeken in Azië kan niet zonder te vliegen tenzij je de Trans Siberië expres wilt nemen. Ook binnen Europa is het gemakkelijk om het vliegtuig te nemen.  De trein is op kortere afstanden een goed, maar duurder alternatief.  Een roze schaamtegevoel steekt iedere keer de kop op als ik het vliegtuig neem.

We willen er nog niet aan dat minder vliegen de norm gaat worden. De vegetarische OV-fietsende eco-toerist, die de Zuid Amerikaanse natuur bezoekt,  heeft een grotere carbon footprint dan de doorsnee barbecueënde kampeerder in Frankrijk. De toekomstige Amazone beleving zal de milieubewuste  vakantieganger  met virtual reality applicaties thuis moeten ervaren.

Technologische ontwikkelingen gaan mogelijkheden bieden om reizen minder noodzakelijk te maken, zowel zakelijk als privé. Video conferences en skype meetings maken communicatie op afstand mogelijk.  De noodzaak om elkaar altijd persoonlijk te ontmoeten is er niet meer.

Het veel gehoorde argument dat persoonlijke ontmoetingen onmisbaar zijn voor goede verhoudingen en relaties snijdt ontegenzeggelijk hout. Minder reizen per vliegtuig of auto betekent ook  minder reistijd en dus minder werkdruk. Er is meer tijd voor persoonlijke contacten met  familie  en buren, vrijwilligerswerk of gewoon voor jezelf.  De eerder onplezierige keuze blijkt  dan een weldaad  en maakt van vliegschaamte een vergeten woord.

Studenten gevraagd en werknemers gezocht

De diervoedersector heeft een groot tekort aan gekwalificeerd technisch personeel. Een sector brede inzet is nodig om studenten te interesseren voor dit mooie vakgebied. Zonder jonge mensen is er geen toekomst.

Er kampen meer sectoren met een tekort aan arbeidskrachten. Dagelijks luidt er wel een sector de noodklok. De rechterlijke macht, de bouw, de transportsector, de zorg, installatiebedrijven en onderwijs kampen allemaal met dit probleem. Een recent rapport van de Rabobank concludeerde dat het gebrek aan personeel de economische groei de komende jaren zal vertragen.

De diervoedersector is relatief klein. Op de arbeidsmarkt wordt een hevige strijd gestreden om kandidaten. De arbeidsvoorwaarden worden aangepast ten gunste van de werknemers en schoolverlaters zijn voor hun afstuderen al verzekerd van een baan. Iedere persoon, die de sector verlaat creëert een domino effect van vacatures. De enige oplossing is de arbeidspool te vergroten. Dat is niet eenvoudig.

Het dalend aantal veehouderijbedrijven heeft direct tot gevolg dat minder mensen van huis uit bekend zijn met de veehouderij. De instroom uit die bron droogt op. Het negatieve imago van de veehouderij en de intensieve veehouderij in het bijzonder helpt niet om mensen van buiten de sector aan te trekken.

Tien jaar geleden is de Stichting Bevordering Studie Diervoeding opgericht. Meer dan 150 studenten, die diervoeding als specialisatie kozen, ontvingen een beurs. Het aantal studenten diervoeding is toegenomen.  Desondanks zijn er nog veel vacatures in de traditionele veehouderijsectoren. Vooral de pluimvee- en varkenshouderijspecialisaties zijn zorgenkindjes.

De interesse voor dieren is bij jonge mensen zeker aanwezig. Hen te stimuleren te kiezen voor de voeding van landbouwhuisdieren vraagt een nieuwe aanpak. Dat kan de stichting BSD niet alleen, maar vraagt inzet van alle betrokkenen. Een aanpak die gericht moet zijn op de eerste en tweedejaars studenten in de opleidingen en op alle niveaus, van het lager beroepsonderwijs tot academisch niveau.

De branche zal de handen in één moeten slaan. Gezamenlijke niet bedrijfsspecifieke en aansprekende voorlichting aan jonge mensen, die hun keuze nog moeten maken, is onontbeerlijk. De stichting BSD zoekt naar methoden om dat te realiseren. Ideeën en hulp zijn meer dan welkom. Het geven van ondersteuning in de vorm van beurzen of het aanbieden van extra activiteiten is niet voldoende.

De diervoedersector draagt bij aan een groot aantal maatschappelijke vraagstukken. De vermindering van het antibiotica gebruik, de bijdrage aan de circulaire economie en de initiatieven rondom carbon footprint zijn aansprekende thema’s die door de jeugd niet aan onze sector worden gekoppeld. Als we erin slagen dit beeld te veranderen worden we ook weer aantrekkelijker voor de jeugd van vandaag, de student van morgen en de werknemer van overmorgen.

Klimaatakkoord

De komende tijd zullen de nodige politieke hete aardappels moeten worden doorgeslikt. Wachten tot ze afgekoeld zijn kan niet.  De klimaattafels hebben hun werk gedaan en langverwachte adviezen uitgebracht. Het echte werk begint pas als de regering deze heeft overgenomen. Het creëren van draagvlak voor lastige beslissingen vraagt tijd, die er niet is.

De urgentie van de opwarming van de aarde vraagt om actie. Dat zal weerstand oproepen en veel discussie geven voordat de maatregelen worden geaccepteerd en omarmd. Je moet immers veranderen en het vertrouwde opgeven. Het overtuigen van een hele bevolking wordt een hele klus.

Dit voorjaar was ik betrokken bij een discussie over de klimaatproblematiek. De deelnemers waren lokaal actieve en gerespecteerde personen, die in kleine groepen discussieerden. Centraal stond de vraag: Wat ben jij bereid om te doen of te laten om een bijdrage aan de oplossing voor het klimaatprobleem te leveren?

Tijdens de terugkoppeling werd een breed scala aan argumenten, meningen en excuses gehoord. Er was een groot verschil in urgentiegevoel. De opmerkingen: “ Het zal mijn tijd wel duren” en “dit is een probleem dat de volgende generatie moet oplossen” vertegenwoordigden de ene kant van het spectrum. Aan de andere kant werd gesteld dat een combinatie van maatregelen noodzakelijk is en het misschien al 5 voor 12 is geweest.

De bereidheid om financieel te investeren in oplossingen was groot. Voor deze groep is dat een relatief gemakkelijk. Het rendement op investeringen in isolatie en zonnepanelen is aantrekkelijk. De terugverdientijd is kort. Dat is ook argument dat Ed Nijpels gebruikte tijdens de presentatie van het akkoord. De werkelijkheid is dat niet iedereen daar geld voor heeft of andere prioriteiten stelt. Anders lag elk geschikt dak vol met zonnepanelen of was ieder huis geïsoleerd.

Het ontbrak aan bereidheid om leefpatronen aan te passen of gemak in te leveren. Die pijn past nog niet in ons denken. De strandvakantie op Bali, de kennismaking met andere culturen of het vervangen van nog bruikbare spullen omdat we toe zijn aan iets nieuws, blijken aantrekkelijke verworven rechten.

Ook ik vind het lastig om dergelijke keuzes te maken vooral als anderen dat niet doen. Waarom zou ik dan het sufferdje zijn? De weg van de minste weerstand is verleidelijk. We zijn geneigd om het eigenbelang boven dat van de gemeenschap te stellen. Vooral als de negatieve effecten pas op lange termijn zichtbaar worden. Het is onontkoombaar dat noodzakelijke gedragsveranderingen door overheden worden gestuurd.

Er moeten pijnlijke keuzes worden gemaakt. Het zorgeloos omgaan met energie en ongebreideld consumeren zijn verleden tijd. Laten we hopen dat er voldoende politieke moed is om impopulaire maatregelen te treffen en politici voldoende ruggengraat hebben om weerstand te bieden aan de Gele Hesjes draak, die ongetwijfeld ook bij deze verandering vuur zal spuwen.

Flevolandse trots met een rafeltje

Flevoland is koploper in biologische landbouw. Biologische boeren gaan bewust om met hun directe omgeving en zorg voor de bodem. Deze  regionale trots is daarom terecht. Vanuit een mondiaal perspectief zit er een schaduwzijde aan. Het Nederlandse streven naar duurzaamheid gaat ten koste van het milieu elders in de wereld.

Het areaal biologische akkerbouw groeit nog steeds. Ruim 3 % is biologisch. In Flevoland is dat 10 % en nog eens 5 % is in de overgang. Lelystad, Dronten en Zeewolde behoren tot de top 5 gemeenten in Nederland met het grootste percentage biologische bedrijven.

De motieven om over te schakelen van gangbare teeltmethoden naar biologische zijn divers. De eerste boeren handelden vanuit een biologisch dynamische filosofie. Bij de volgende generatie speelde naast idealisme ook marktgericht economisch denken.

Onlangs hoorde ik een nieuw motief. De traditionele ketens in de landbouw worden te dwingend voor het ondernemerschap. Keuzes voor zaai- en pootgoed worden door de afnemers bepaald. De prijzen zijn daarbij ook nog eens van te voren bepaald. De biologische ketens lijken minder knellend.

Ik begrijp de individuele beslissingen. Toch doet het iedere keer pijn als ik hoor dat weer een boer gaat omschakelen. Het is een rijdende trein, die maar voort dendert. Voor de wereldvoedselvoorziening is het een slechte zaak dat hoogwaardige Flevolandse grond niet ten volle wordt benut om voedsel te produceren. De biologische teelt heeft minder en sterk wisselende opbrengsten.

De wereldhandel in agrarische producten is een groot communicerend vat. Minder productie hier betekent dat meer voedsel elders moet worden verbouwd. Er zijn nog maar weinig plaatsen in de wereld waar dat nog kan. De indirecte consequentie is dat meer bosgebieden in Zuid Amerika ontgonnen moeten worden om de wereld te blijven voeden.

De universiteit van Wageningen stelde enkele jaren geleden dat de opbrengsten van granen en aardappelen 10 tot 40 % lager waren op biologische bedrijven. Rekening houdend met de lagere opbrengsten per ha elders in de wereld, wordt voor iedere 2 hectare biologische landbouw in Flevoland ter compensatie 1 hectare bos in Zuid Amerika gekapt.

Het Hudson Institute’s Center for Global Food Issues schat dat moderne, efficiënte landbouwtechnieken de wereld 39 miljoen vierkante kilometer aan natuurgebied hebben bespaard. Dit is vijf keer de oppervlakte van het Amazone­regen­woud. Als de hele wereld overgaat op biologisch boeren, moet nog eens 26 miljoen vierkante kilometer bos tegen de vlakte. Meer dan 600 keer de oppervlakte van Nederland.

Op basis van de objectieve feiten is de Flevolandse trots  niet gepast. De maatschappelijk acceptatie van efficiënte voedselproductie brokkelt steeds verder af. De biologische landbouw zal blijven toenemen ondanks de negatieve effecten op de mondiale duurzaamheid.

De biologische landbouw is goed voor het regionale milieu. Dit Flevolandse “milieubewustzijn”  is echter ongepast als we de wereld willen blijven voeden. We gooien de problemen over de schutting. Niet iets om echt trots op te zijn.