Meer transparantie bij vleeskuikenconcepten noodzakelijk

De vleeskuikensector verandert. De introductie van vleeskuikenconcepten stimuleerde ketenvorming. De recente aankondiging van verplichte voeraankopen  in de concepten van Storteboom roept vragen op bij pluimveehouders. Wat betekent dit voor hun ondernemerschap en inkomen? De totstandkoming van opbrengstprijzen bij de verschillende ketens is niet transparant. 

 Nederland is een van de weinige landen waar de vleeskuikensector niet wordt gedomineerd door integraties. Dat verandert snel. Het plofkipimago dwong retailers te reageren. Zij lanceerden eigen concepten.  De Kip van Morgen werd geïntroduceerd en de Dierenbescherming kwam met het Beter Leven-keurmerk. Daarnaast stelt  de biologische sector andere,  specifieke eisen. Het oerwoud van keurmerken en namen blijft groeien. Beter Kip, Nieuwe Standaard kip, Comfort kip, Groenland kip, Scharrelkip en Goednestkip zijn slechts enkele voorbeelden. Voor de consument is het één pot nat.

Onlangs kondigde 2 Sisters Storteboom aan dat De Heus de enige voerleverancier voor haar vleeskuikenprogramma’s wordt. “ Dat bevordert de flexibiliteit om in te spelen op de veranderende vraag in West Europa. Daarnaast moet er wat veranderen want ook voor conceptkipproducten is de prijs belangrijk voor afnemers”, volgens Willem Poelsma  van 2 Sisters Storteboom in een interview met Pluimveeweb.

Het prijsargument  veroorzaakt onrust. De keten sluit zich en de vleeskuikenhouder wordt meer geketend. Een nieuwe generatie van contractboeren lijkt geboren.  Alleen de toekomst zal het leren.

Eerder was het Landbouw Economisch Instituut, het LEI , de informatiebron voor pluimveehouders om factoren te benoemen die inkomensverschillen verklaarden. Die bron droogt op.

Peter van Horne van  Wageningen Economic Research  publiceerde in het voorjaar van 2020 een vergelijking van economische resultaten van verschillende Nederlandse vleeskuikenproductiesystemen. Hij vergeleek de economie van de gangbare vleeskuikenhouderij met de Kip van morgen, het Beter leven 1 ster concept en de biologische kip.

De gangbare en biologische concepten resulteerden in een vergelijkbaar inkomen, terwijl het CBL concept en  Beter leven 1 ster iets beter scoorden. Dat zou geruststellend moeten zijn. Echter, dit waren alleen resultaten van 2017. Hij heeft geen recentere gegevens en betwijfelt of hij ze ooit zal krijgen. Hij benadrukt dat zijn rapport de gegevens van  slechts één slachterij en van één jaar waren. “De onderzoeksresultaten zijn dus zeker niet algemeen geldend voor de hele sector”, zo stelde hij.

Ook de Nederlandse Vakbond Pluimveehouders klaagde over het gebrek aan transparantie. De verschillen in toeslagen maken de opbrengst prijzen ondoorzichtig. Daarom was een prijzen informatiesysteem voor vleeskuikens opgezet. Door gebrek aan informatie is dat initiatief stopgezet.

Een recent rapport van de Dierenbescherming zet vraagtekens bij de transparantie van supermarktconcepten. Het Beter Leven keurmerk is helder over het inspectie- en sanctioneringsbeleid. Dit geldt niet voor de supermarktconcepten. Ook de transparantie over de criteria is bij de supermarktconcepten minder goed dan die van het Beter Leven keurmerk of biologisch.

Veel gegevens, die publiek beschikbaar waren, blijven nu in de schoot van de ketens. Om zowel de pluimveehouders als de consument meer inzicht te geven om te kunnen besluiten welk concept hen het beste past zal meer openheid moeten worden geven. De pluimveehouder heeft dat nodig om te beslissen  welke keten  hem het beste inkomen geeft en de consument om vertrouwen in de kip te houden.

.

Eeerder gepubliceerd op Pluimveeweb

.

.

.

Duurzaamheidsrapport CLM is goede aanzet

Vorige week publiceerde het CLM het rapport:” Duurzaamheidseffecten van stikstof-en klimaatmaatregelen voor de landbouw”. Het rapport geeft een integrale beoordeling van maatregelen om de emissies uit de landbouw te beperken  op  een breed scala aan duurzaamheidsthema’s. Het kan beleidsmakers helpen bij hun besluitvorming.  Een van de  conclusies is dat vermindering van de veestapel in Nederland niet duurzaam is als de consumptie van dierlijke eiwitten niet afneemt.  

CLM verdient complimenten om maatregelen om één probleem op te lossen te beoordelen op verschillende duurzaamheidsthema’s. De auteurs wogen ieder duurzaamheidskenmerk even zwaar. Dat kan ook niet anders. Iedere keuze lokt discussie uit. Zelfs een overzicht waarbij de maatregelen evenveel gewicht hebben gekregen is discutabel.

Beperking van de import van kalveren met 50 % en het uitkopen van 5 % van melkvee bij Natura 2000 gebieden zijn de meest duurzame maatregelen. Vervanging van  25 % van de kunstmest  door dierlijke mest, verdunnen van drijfmest met 50 % water en luchtwassers op pluimvee- en varkensstallen zijn volgens deze benadering het minst effectief voor duurzaamheid.

Verkleining van de veestapel scoort goed als verbetering van de duurzaamheid.  Terecht vermeldt het rapport dat verkleining van de veestapel de milieubelasting in Nederland vermindert. Als de consumptie van dierlijke producten niet gelijktijdig verandert, wordt de milieubelasting verplaatst naar het buitenland. Het is jammer dat alleen het effect op broeikasgassen in het buitenland is meegenomen. Andere negatieve effecten van verplaatsing naar het buitenland blijven buiten beschouwing. Dat doet onrecht aan de Nederlandse veehouders die op dierwelzijn en antibioticagebruik beter scoren.

Opvallend was dat meer maatregelen een negatief zijn voor diergezondheid dan dat maatregelen positief werken. De negatieve effecten werden genoemd bij lagere N aanvoer op melkveebedrijven, minder N-bemesting, introductie van vlinderbloemigen en luchtwassers op varkens-en pluimveestallen.  

Veel punten in het rapport nodigen uit tot discussie en kunnen genuanceerd worden. De auteurs moesten bovendien voor een aantal kenmerken vertrouwen op  “expert judgements”. Dat neemt niet weg dat het breder beoordelen van de maatregelen dan alleen het primaire doel, een goede benadering is.

 Het rapport is een goede aanzet. Aanvulling van het rapport met  technische oplossingen en  voermaatregelen en de effecten op sociaaleconomische aspecten maakt het rapport vollediger. Voor een integrale beoordeling van maatregelen zijn aspecten als directe en indirecte werkgelegenheid,  inkomens van veehouders en behoud van de infrastructuur van de veehouderij onontbeerlijk. Pas dan kunnen beleidsmakers er echt hun voordeel mee doen.

Het rapport is te downloaden op:  https://www.clm.nl/publicatie/188/18

Beeldenstorm

Vrijwel dagelijks tonen de media beelden van bekladde, beschadigde en omvergehaalde beelden van helden uit het verleden. Zij kregen hun heldendom door onderdrukking, respectloos behandelen en uitmoorden van de niet-blanken. Nu zijn zij samen met Zwarte Piet symbool van racisme.

In de Westerse wereld ontkende de christelijke blanke cultuur discriminatie jarenlang. Het veelstemmige internationale BLM-koor trekt nu alle aandacht naar zich toe. Andere gediscrimineerde groepen, homo’s, vrouwen, allochtonen en moslims, zijn gedwongen het achtergrondkoor te vormen.

 Volgens artikel 1 van de grondwet en de Rechten van de Mens is iedereen gelijk. De gevestigde orde interpreteert dat flexibel, vaak niet eens bewust. De traditionele sociale omgeving bepaalt hun referentiekader en comfortzone. Daar buiten treden en iedereen gelijkwaardig behandelen, gaat niet zomaar. Daarvoor moet innerlijke weerstand overwonnen worden. Zonder druk van buitenaf komt die verandering er niet.

Veel revoluties beginnen met het omver halen van de beelden van de gehate machthebbers.  Dat deden de protestanten bij ons in 1566. Dat deden de anti-communisten in 1989 in het Oostblok. Dat deed de Taliban-regering in Afghanistan die de immense boeddhabeelden liet opblazen. Dat deed ISIS door in Palmyra niet alleen de beelden maar alles op te blazen. Wat dat betreft waren de oude Egyptenaren beschaafder. Die hakten vaak alleen de neuzen van de beelden af.

De verontwaardiging is groot wanneer monumenten uit de klassieke oudheid met grote cultuurhistorische waarden ten prooi vallen aan de verontwaardiging van de massa. . Tegelijkertijd juichen we stilletjes mee wanneer dictators als Khadaffi van hun voetstuk worden getrokken. Hoe ouder de beelden hoe belangrijker wij de cultuurhistorische waarde vinden.

Mijn katholieke achtergrond heeft mijn afkeer van het vernietigen van beelden bepaald. De   lagere school stond onder leiding van broeders. De  geschiedenislessen over de reformatie en beeldenstorm waren doordrenkt met verontwaardiging over het onrecht dat katholieken was aangedaan. Dat gevoel nestelde zich in mijn jonge brein. Meer dan 50 jaar later bepaalt het nog steeds mijn primaire reactie.

De opgekropte woede en adrenaline zoeken een uitweg.  Neerhalen van beelden geeft tijdelijk bevrediging maar op termijn lost het niets op.

De maatschappelijk weerstand tegen beelden van foute helden, symbolen van discriminatie en onderdrukking, dwingt autoriteiten om een standpunt te bepalen over de toekomst van die beelden. Een afweging tussen cultuurhistorisch besef en tijdsgeest.

Beslissers kunnen een voorbeeld nemen aan Estland. Het land zuchtte jarenlang onder de overheersing van de Sovjet Unie. De wonden zijn nog lang niet geheeld. Na de revolutie zijn  Sovjet beelden verzameld en samengebracht in een museum. Die plek nodigt uit om de verschrikkelijke verhalen te vertellen en de geschiedenis niet te vergeten. De beelden dragen zo bij aan het historisch  bewustzijn en zorgen dat de gruwelijkheden uit het verleden aandacht blijven krijgen. Een beeldenstorm had dat onmogelijk gemaakt.

Goed nieuws over antibiotica is ook nieuws

Soms geeft een bericht  je een goed gevoel.  Dat gebeurde  toen ik het laatste rapport van de Autoriteit Diergeneesmiddelen over het antibioticagebruik in de veehouderij las. In 10 jaar tijd is het gebruik met 70 % gedaald. In het buitenland dwingt het respect af, hier krijgt het nauwelijks aandacht.

Ik was prettig verrast omdat, na een initieel sterke daling, de vermindering  leek te stagneren. Dit jaar was er weer een daling. Hopelijk zet de trend zich door.

Begin deze eeuw verschenen publicaties over kruisresistentie: in de veehouderij gebruikte antibiotica veroorzaakten  ook resistentie tegen antibiotica, die exclusief gereserveerd waren voor humane toepassingen. De noodzaak om te verminderen werd urgenter.

In 2006 werd de eerste stap gezet door deze stoffen niet meer toe te staan in de diervoeding. In plaats van een daling nam de totale hoeveelheid toe doordat meer antibiotica moesten worden gebruikt als medicijn.

In 2009 kwam landelijk beleid. Bedrijven die teveel medicijnen gebruikte moesten een plan van aanpak maken. Als bedrijven veel meer dan andere bedrijven gebruikten mochten die minder dieren houden. Na 10 jaar is een reductie van 70 % bereikt.

Tijdens mijn consultancy activiteiten in het buitenland kreeg ik vaak vragen over het Nederlandse model. Niet alleen West Europa maar ook in Azië en vooral China was er grote interesse. Antibiotica reductie staat bij veel beleidsmakers en producenten van diervoeders in dat werelddeel hoog op de agenda en is onze aanpak een voorbeeld.

Ook bij mensen is het antibiotica gebruik in Nederland het laagste in de EU. De gemiddelde EU inwoner gebruikt 2 keer zoveel antibiotica dan de gemiddelde Nederlander. De Grieken zijn met meer dan 3 keer de Nederlandse hoeveelheid Europees “koploper”.

In vergelijking met de gemiddelde Nederlander krijgen leghennen en rundvee minder antibiotica per dag. Varkens ongeveer even veel. Gevoelige jonge dieren als biggen en vleeskuikens hebben een hoger gebruik.

De publieke perceptie dat de veehouderij strooit met antibiotica is niet juist. Dat blijft zo als goed nieuws niet wordt omarmd en gecommuniceerd. Het goede nieuws krijg je niet te horen.  Dan blijven achterhaalde feiten de waarheid.

Natuurmonumenten kleurt resultaten

Deze week verscheen een rapport over de aanwezigheid van bestrijdingsmiddelen in vier Natura 2000 gebieden in Drenthe. Het onderzoek was op verzoek van Natuurmonumenten uitgevoerd.  Er waren 31 bestrijdingsmiddelen aangetroffen. Gelijk een Pavlov reactie werd  met de beschuldigende vinger naar de landbouw gewezen.  Onterecht naar nu blijkt.

De persvoorlichter van Natuurmonumenten legde een verband met de landbouw. Het onderzoek vond geen verband tussen de gevonden bestrijdingsmiddelen en de afstand tot landbouwgebieden. Dat zou aanleiding moeten zijn geweest om naar andere bronnen te zoeken.

De 4 meest gevonden middelen worden niet in de agrarische sector gebruikt. Planten produceren ze zelf, komen vrij bij verbranding, zijn bestanddeel van industriële reinigingsmiddelen of zijn, zoals Deet, een insectenwerend middel.

Difenyl werd zowel in frequentie als volume het meest aangetroffen. Een stof wordt gevormd bij verbranding. De Nederlandse personenauto’s produceren per jaar  6000 kg van deze stof. Het rapport ging hier volledig aan voorbij.

Het is niet de eerste keer dat Natuurmonumenten onderzoeksresultaten gekleurd communiceert en  zonder bewijs naar de landbouw wijst. Zelfs wanneer de rapporten vermeldden dat de oorzaak onbekend is.

In maart 2018 verscheen het rapport:” Alle beestjes helpen”. In het begeleidende persbericht werd gesproken over een dramatische achteruitgang van  5 insectensoorten. Alleen de wantsen waren stabiel. De insectenstand zou met 70 % zijn afgenomen. De directeur van Natuurmonumenten legde een verband met het gebruik van bestrijdingsmiddelen door de landbouw. De wetenschappelijke publicatie over dit onderzoek ( C.A. Hallmann et al, 2019) noemt slechts over de teruggang van 3 van de 6 onderzochte soorten.

Volgens diezelfde perspublicatie van Natuurmonumenten was  de stand van haften(eendagsvliegen) in 27 jaar met 98 %  teruggelopen, terwijl Hallmann de stand van deze populatie stabiel noemt. In de periode van 2009 tot 2017 is populatie haften zelfs een licht stijgend. Een creatief staaltje datashopping zorgde voor publicitair aantrekkelijke cijfers.

Het onderzoek vond plaats over een periode van 12 jaar. Alleen in de laatste 9 jaar waren de cijfers in opeen volgende jaren beschikbaar. Wetenschappelijk dus volkomen juist om alleen die cijfers te gebruiken. Maar men ging verder. De cijfers van 12 jaar werden geëxtrapoleerd naar een periode van 27 jaar. Een wetenschappelijke doodzonde.

Iets vergelijkbaars  gaat op voor gaasvliegen. De onderzoekers vonden de trend in hun aantallen te onduidelijk om een eenduidige conclusies te kunnen trekken.  Natuurmonumenten noemde een teruggang van 72 %.

Natuurmonumenten maakt zich terecht zorgen over ons leefmilieu en de insecten stand. Het selectief winkelen in gegevens, het overdrijven van de resultaten en het systematisch wijzen naar de agrarische sector maakt de organisatie ongeloofwaardig. De leden van Natuurmonumenten hebben recht op objectieve en betrouwbare  informatie.  De uitspraak dat de insecten stand met 70 % afgenomen is, is op zijn minst overdreven.

Bloeiende woestijn

 

Vlak voordat de Corona crisis de Verenigde Staten in de houdgreep nam, maakten wij een reis door het zuiden van Californië. Onze zoon had zijn afstudeerproject in San Diego afgesloten.  Een aanleiding om daar op vakantie te gaan, maar eigenlijk een excuus om  de ouderlijke nieuwsgierigheid naar zijn leefomgeving te bevredigen.

Albert Hammond zong het: ” It never rains in Southern California”. Dat klopt ook. De kuststreek is nog redelijk groen. Het Sierra Nevada gebergte werkt als een regenscherm voor het oosten van de staat . Incidenteel kan een regenwolk dit woestijn gebied binnendringen.

De weg naar Death Valley was kaarsrechte streep naar de horizon en doorsneed het uitgestrekte woestijngebied. De schaarse vegetatie bestaat uit struikjes smakkend naar een druppeltje vocht. De laagstaande avondzon gaf de bergen aan de horizon een gouden glans. Het complementeerde een indrukwekkend panorama.

We maakten een wandeling door droog  gebied met een oase als einddoel.  We hadden geluk. In de weken voor onze trip had het een klein beetje geregend. Het had  kleur in de dorheid gebracht.  De wandeling duurde langer dan beoogd . Bij de voor ons onbekende  planten bleven we staan om de bloemen beter te bekijken. In andere perioden  zouden we de planten als dood hout hebben genegeerd. Vanuit de struiken klonk een monotoon gezoem van een insecten die door de bloemenpracht waren ontwaakt. Af en toe werd dat aangevuld door een zwak gekrijs van hoog in de azuurblauwe  lucht zwevende vogels.

Er is weinig nodig om de woestijn tot bloei  te brengen.  Ik moest daaraan denken toen ik niet meer kon ontsnappen aan de oproep om meer aandacht  aan elkaar te besteden. Volgens minister De Jonge kan een simpel telefoontje of even zwaaien naar de buurvrouw veel voor hen betekenen. Het helpt hun opgedroogde sociale contacten weer op te fleuren.

De intelligente lockdown  heeft normale sociale contacten geminimaliseerd. De zeldzame 1,5 meter gesprekken voelen ongemakkelijk. De Corona epidemie heeft het weer verdrongen van de eerste plaats op de lijst van gespreksonderwerpen.

Alleen tijdens het boodschappen doen ontmoet je mensen. In de kleinere winkels staat de toonbank tussen de bedienden en de klant. In supermarkten  worden angstvallig  winkelwagentjes-dansen uitgevoerd om elkaar te mijden. Een plotselinge tegenligger danst naar achteren om vervolgens aan het eind van het pad een draai te maken. Iedere shopper is een potentiele besmettingsbron die je  “als de pest” mijdt.

Ik ben thuis niet alleen en heb dus een gesprekspartner. Anderen zijn niet zo gelukkig. Ook zij hebben behoefte aan contacten. De bijeenkomsten waar je hen normaal zou ontmoeten zijn verboden. Daarom is contact met leggen zo belangrijk. Een beetje aandacht als een telefoontje kan ook hen een beetje laten opbloeien.

vergaderen 2020

De anderhalvemetersamenleving dwingt ons om fysiek afstand van elkaar te houden. Normale dagelijkse omgangsvormen werden verbannen.  Internet werd de levenslijn voor de onderlinge contacten. De wereld kreeg een spoedcursus digitaal communiceren.

De vergadercultuur is revolutionair veranderd. Skype, Google Meet, Teams , Zoom, Houseparty en Gotomeeting zijn niet langer voorbehouden aan internationaal werkende organisaties en werden overnacht standaardtermen in het Nederlandse overlegcircuit.

Email en Word waren zelfs voor de grootste digibeten al gemeengoed. Het digitaal vergaderen nog lang niet.  Het aandoenlijk hulpeloze gehannes van de onervaren gebruikers herken ik. Ze moeten hetzelfde voelen als toen ik zonder een woord Chinees te spreken in Beijing aankwam en volkomen afhankelijk was van derden. De niet voor andere oren bedoelde gesprekken tussen  hulpverlenende huisgenoten en de radeloze beginner maken het moeizame begin van bijeenkomsten op afstand dragelijk.

De onzekerheid over de verstaanbaarheid wordt gecheckt.  Gelijktijdig  bevestigen meerdere mensen in verschillende varianten dat het geluid aanstaat. Wanneer ook het knopje voor de videoverbinding is gevonden, schieten hulptroepen beduusd uit beeld.

De grootste druk ervaart de organisator van de bijeenkomst. De spanning of alle beoogde deelnemers op tijd  inloggen leidt tot natte oksels. Er is altijd iemand die via de app mislukte pogingen om in te loggen meldt.  De link werkt niet of is al gedelete. Die moet opnieuw worden gezonden.

Het  onderontwikkelde webcamgebruik  is kenmerkend. Het tegenlicht zorgt voor zwarte profielen en de geïmproviseerde slaapkamer of zolderkantoren zijn een gelegitimeerde  privacy inbreuk. Een decor van wasgoed op de zolderkamer geeft een ongemakkelijk gluurdersgevoel.

De gezichtencollage op het beeldscherm biedt interessante inkijkjes . Hoofden worden uit verschillende standen getoond. De beelden maken een studie van onderkinnen tegen een achtergrond van plafonds mogelijk.  Een te hoge stand geeft inzicht in de laatste haarkleuring bij de dames en de mate van kaalheid bij mannen. Close-ups van halve gezichten die al 10 weken geen kapper hebben gezien completeren de beeldengalerij.

Iedere afleiding wordt onderdeel van de vergadering. Een kind dat met natte haren welterusten komt wensen, een koerier, die aanbelt  of een huisgenoot die nieuwsgierig naar de gesprekspartners is.

De digitale vergaderetiquette is nog in ontwikkeling. Geen email checken, niet tussentijds weglopen, de microfoon dempen, een interruptie aankondigen en kort en bondig spreken zijn een paar uitgangspunten.

De digitale zakelijkheid  heeft een definitieve plaats in de groepscommunicatie veroverd. De efficiëntie is groot. Geen reistijden en voor prietpraat is geen ruimte. Het gebrek aan sociale interactie is een gemis. Voor echte communicatie is het essentieel dat we lichaamstaal kunnen lezen, elkaar fysiek treffen en tijd nemen om over andere dingen te praten. Daar moeten we ook in de anderhalvemetersamenleving oplossingen voor vinden.

Proactieve Ammoniak Strategie

De PAS-uitspraak van de Raad van Staten heeft ons land met de neus op de feiten gedrukt. De impact is enorm. In allerijl werd een adviescollege ingesteld. Tegenstanders van de intensieve veehouderij grepen de kans aan om weer te pleiten voor een drastische afname van de veestapel. Voor de veevoederindustrie een mogelijkheid om zich positief in het debat op te stellen.

De commissie Remkes moet op korte termijn met adviezen komen. De maatschappelijke druk om de woningbouw en infrastructuurprojecten prioriteit te geven boven de belangen van de veehouderij is enorm. Om de adviezen bij te buigen in een voor de veehouderij gunstige richting moet snel worden gehandeld.

Er is geen tijd om lang stil te staan bij de ammoniak vermindering, die al is gerealiseerd. Ja, de reductie van 64 % sinds 1990 is een hele prestatie. Ja , de Nederlandse veehouderij is efficiënt en heeft daardoor mondiaal gezien een lage carbon foot print per kg product. Ja, het huidige antibiotica beleid is een voorbeeld voor andere landen. Maar ook hier geldt: “ Resultaten uit het verleden zijn geen garantie voor de toekomst”.

Ondanks alle inspanningen is de veehouderij nog steeds verantwoordelijk voor 86 % van de stikstofemissie. Een verder afname is absoluut noodzakelijk om volwaardig aan het debat te kunnen deelnemen.

De effecten van ammoniak emissie gaan verder dan de directe omgeving. Dat blijkt uit de grote hoeveelheden die de grens overgaan. De reductie, die vanaf 2000 door de landbouw is gerealiseerd, heeft niet geleid tot een vermindering van de stikstofdepositie in natuurgebieden. Een landelijke aanpak is noodzakelijk om de druk op natuurgebieden verminderen.

Al in de 90-er jaren heeft de diervoedersector onderzoek gefinancierd naar de relatie tussen voeding en ammoniakuitstoot. Ik had de eer om voorzitter te zijn van de commissie, die het onderzoek begeleidde. De uitkomsten waren duidelijk. Voeraanpassingen kunnen de ammoniakemissie verminderen.

Verlaging van eiwitgehalte, het gebruik van fermenteerbare koolhydraten, verandering van de mineralen samenstelling, multifase voedering zijn allemaal effectief. Het mooie is dat deze effecten optelbaar zijn. Recent onderzoek bij Schothorst Feed Research toonde aan dat weidegang van koeien en gebalanceerde pensfermentatie ook de ammoniak emissie verminderen. Daarnaast is de toevoeging van benzoëzuur effectief gebleken.

Toepassen van de bestaande kennis kan de uitstoot verminderen. De veehouderij- en de diervoedersector kunnen een positieve bijdrage leveren aan het nationale debat door hun achterban te verplichten bestaande kennis in voeders en rantsoenen toe te passen. Dat vraagt moed. Niet iedereen in de achterban zal het met gejuich ontvangen. Het zal aanpassing van bedrijfssystemen vragen en soms kostenverhogend werken. Met antibiotica is aangetoond dat gezamenlijke inspanningen tot resultaten leidt.

In het verleden heeft de overheid voermaatregelen niet omarmd omdat het moeilijk controleerbaar was. Zij stond niet te trappelen om het voerspoor te benutten. Bij de stoppersregeling is dat  bezwaar aan de kant gezet.

Algemeen landelijk geldende voermaatregelen kunnen een grote bijdrage leveren aan de oplossing van de stikstofemissie problematiek. Dat kan pijn doen. Maar is niet te vergelijken met de pijn voor alle betrokkenen in de veehouderij als de maatschappij ons dwingt tot een substantiële verkleining van de Nederlandse veestapel.

Uilskuiken

Deze vakantie hadden wij een huis met zwembad in Toscane gehuurd. De temperatuur bereikte tot lusteloosheid aanzettende hoogten. We slenterden van schaduw naar schaduw door de karakteristieke plaatsjes. Kerken en musea fungeerden als kleurige en rijk gedecoreerde schuilplaatsen tegen de verzengende hitte.

De terugreis naar het vakantiehuis in de aircondioner koele auto was weldadig. Bij het uitstappen viel de vochtige warmte als een zware deken over ons heen. De luchtige kleding plakte gelijk latex aan onze klamme lichamen. Het lauwwarme zwembad lonkte verleidelijk.

Zoon lag als eerste in het blauwe bad. Opgewonden riep hij ons ook te komen. “Zo direct, eerst nog even de spullen uit de auto”, antwoordden mijn vrouw en ik na een 40-jarige training eensgezind. “Maar er ligt een uilskuiken in het water”. “Dat wisten we al”, was de voor de hand liggende reactie.

De toon in zijn stem dwong ons om te gaan te kijken. In de hoek van het zwembad zat een zielig kijkend, ineen gedoken bruin uilskuiken. Twee gele ogen staarden stoïcijns voor zich uit. Onduidelijk of dit zijn gewone uitdrukking was of dat stress de schijnbaar wezenloze blik veroorzaakte.

Het was een raadsel hoe en waarom hij in het water terecht was gekomen. Wilde het een verkoelend bad nemen  en als een rechtgeaard uilskuiken niet wetend dat je dan moet kunnen zwemmen?  Op de minst diepe plaats kon het nog net staan. De met waterverzadigde vleugels waren te zwaar voor de weinig ontwikkelde vliegspieren. Het kon geen kant uit, laat staan op de kant komen.

Voorzichtig zette Zoon het dier op de kant. Eenmaal vaste grond onder zijn doorweekte pootjes kreeg de adrenaline grip op hem en schoot het weg onder de beschermende takken van een overhangende struik. Daar nam het zijn roerloze uil-houding weer aan.

Een uur later zat het standbeeld er nog steeds. Bezorgde familieleden hadden ondertussen opgezocht hoe het beest gevoerd moest worden. Kip voldeed het best aan zijn dieetwensen.

Toen de koperrode zon zich achter de horizon verschool was de jonge uil verdwenen. Waarschijnlijk op zoek naar muizen en andere wezens die bij de schemering weer actief worden en ons achterlatend met een unieke herinnering aan de Toscaanse warmte.

Plofmerel

Ik heb een speciale band met merels. Zodra ik met schep of schoffel in de tuin kom, zijn ze er als de kippen bij om brutaal de blootgelegde kronkelende wormen en andere aardbewoners onder mijn schep weg te pikken. Hun gedrentel belemmert mijn werkzaamheden op een prettige manier.

Ik had ze al een tijdje gemist en had me er al bij neergelegd dat ze slachtoffer waren van het nietsontziende dodelijke merel-virus.

Mijn dag kon niet meer stuk toen ik ze weer zag. Het samenspel van ochtendzon en dauw gaf het fris groene gazon glans. Het vormde het decor voor een vertederend schouwspel. Pa merel in zijn deftige zwarte pak en felle oranje snavel werd achtervolgd door 2 hippende bolletjes. De chocoladekleurige moeder volgde op enige afstand.

Als kleine kinderen bij de snoepafdeling van de supermarkt bedelden de jongen om voer. Bij de eerste worm waggelden ze naar hun vader. Met hun wijd open bekjes en met hoge frequentie fladderende vleugeltjes, schreeuwden ze om aandacht. Pa merel had ondertussen een snavel vol wormen en torretjes. Behendig werd het achter in de keel van de jongen gepropt. Franse producenten van foie gras kunnen nog wat opsteken van deze voertechniek.

De enkele weken oude schreeuwertjes zijn bijna groter dan hun ouders. De vakidioot in mij maakt onwillekeurig de vergelijking met de groei van kippen. Hoe snel bereiken deze babyvette verenballen hun volwassen gewicht? Internet moest uitkomst bieden.

De zoekwoorden “merel” en “gewichtsontwikkeling” gaf een flink aantal hits. Websites waarop vrouwen vol trots hun gewichtsafname aan de wereld tonen. Interessant, maar niet wat ik zocht. Na een uur lang duizenden zoekwoord combinaties zonder succes te hebben ingetoetst, gaf ik het op.

Vergelijkbare zoektochten bij mussen en spreeuwen gaven helemaal geen hits.

De 5 weken oude merels zijn bijna even groot als hun ouders.  De moderne kip heeft daar 3 tot 4 maanden voor nodig. Vergeleken met de vogels die in mijn tuin hun eerste vlieguren maken en van wormenmaaltijden genieten, zijn de huidige vleeskuikens maar traag groeiende vogels.

Deze traag groeiende dieren zijn door de marketeers van Wakker Dier omgedoopt tot plofkippen. Op basis van groeisnelheid verdienen alle tuinvogels het Plof-predicaat. Het gaat mij te ver om mijn begeleider tijdens tuinwerkzaamheden plofmerel te noemen.